Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag opgelegd omdat hij op 4 september 2020 zijn auto had stilgezet op een parkeerplaats in Breda zonder betaling van parkeerbelasting. Hij stelde dat hij de auto slechts had stilgezet om zijn gevallen telefoon op te rapen, waardoor er geen sprake was van parkeren volgens de wettelijke definitie.
De rechtbank oordeelde dat parkeren wettelijk is gedefinieerd als het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan voor het onmiddellijk in- of uitstappen van personen of het onmiddellijk laden of lossen van zaken. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn situatie onder deze uitzonderingen viel. De aanwezige foto's toonden geen personen in de auto, wat zijn stelling niet ondersteunde.
De rechtbank concludeerde dat er sprake was van parkeren en dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter I.M. Josten op 1 november 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.