ECLI:NL:RBZWB:2021:5655

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 november 2021
Publicatiedatum
8 november 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 6063
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Gemeentewet Artikel 225Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 gemeente Breda Artikel 1Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 gemeente Breda Artikel 2Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 gemeente Breda Artikel 6Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 gemeente Breda Artikel 8
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens stilzetten auto met draaiende motor

Belanghebbende heeft op 3 april 2020 zijn auto gedurende 2 à 3 minuten met draaiende motor en gevarenlichten stilgezet op een parkeerplaats in Breda waar parkeerbelasting geldt. Tijdens een controle werd geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan, waarna een naheffingsaanslag werd opgelegd.

Belanghebbende voerde aan dat geen sprake was van parkeren omdat hij slechts kort stopte om de bijrijder geld te laten pinnen. De rechtbank oordeelde dat dit niet valt onder het begrip onmiddellijk in- of uitstappen zoals bedoeld in de gemeentelijke verordening en jurisprudentie. Het stilzetten van de auto in een parkeervak is voldoende om te spreken van parkeren.

De rechtbank stelde vast dat het pinnen van geld niet als een uitvoeringshandeling voor het voldoen van parkeerbelasting kan worden aangemerkt. Daarom was belanghebbende bij aanvang van het parkeren parkeerbelasting verschuldigd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard omdat het stilzetten van de auto met draaiende motor als parkeren wordt aangemerkt.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 20/6063
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 1 november 2021 van de enkelvoudige kamer in het geding tussen

[belanghebbende] wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (Belastingsamenwerking West-Brabant), de heffingsambtenaar.

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 april 2020 het bezwaar van belanghebbende tegen de opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] (hierna: de naheffingsaanslag) ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2021. Aldaar is verschenen en gehoord, namens de heffingsambtenaar [naam].
Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 27 juli 2021 aan het door hem opgegeven adres, [adres] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 30 juli 2020 is afgehaald bij het betreffende PostNL-punt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres aan de belanghebbende is aangeboden. De zitting heeft daarom zonder aanwezigheid van belanghebbende plaatsgevonden.

Overwegingen

1. Belanghebbende heeft op 3 april 2020 een auto van het merk [merk] met het kenteken [kenteken] tot stilstand gebracht aan de Vlaszak te Breda. Deze plaats is door de gemeente aangewezen als een plaats waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. [1]
2. Tijdens een controle op 3 april 2020 omstreeks 18:51 uur is door middel van een scanauto geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting is voldaan. Aan belanghebbende is daarom met dagtekening 7 april 2020 de naheffingsaanslag opgelegd. De nageheven belasting bedraagt € 2,30 verhoogd met een bedrag van € 64,50 aan kosten.
3. In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of er sprake is van parkeren.
4. Belanghebbende stelt dat er geen sprake is van parkeren omdat hij de auto slechts 2 tot 3 minuten, met draaiende motor en gevarenlichten, op de parkeerplaats heeft gezet, zodat de bijrijder geld kon gaan pinnen.
5. De heffingsambtenaar stelt dat deze handelingen van belanghebbende moeten worden aangemerkt als parkeren en dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
6. Volgens de uitspraak van Gerechtshof Arnhem van 16 juli 2003 [2] , kan als onmiddellijk in-en uitstappen slechts worden aangemerkt de handelingen die een daadwerkelijk in -en uitstappen vormen. De rechtbank is van oordeel dat het gedurende 2 à 3 minuten stilzetten van een auto daar niet onder kan worden begrepen. Het doen staan van een auto in een parkeervak is voldoende om belastingplichtig te zijn. Ook als iemand de auto niet verlaat en met draaiende motor staat te wachten. [3] Nu er geen sprake is van onmiddellijk in-en uit stappen is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van parkeren.
7. Bij aanvang van het parkeren is belanghebbende parkeerbelasting verschuldigd, waarbij aan belanghebbende wel een redelijke tijd moet worden gegund voor het verrichten van uitvoeringshandelingen om parkeerbelasting te voldoen. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat de bijrijder geld ging pinnen kan niet worden aangemerkt als uitvoeringshandeling tot het voldoen van parkeerbelasting. Vaststaat namelijk dat er geld gepind werd om over contant geld te beschikken en niet om parkeerbelasting te voldoen. Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende voor het parkeren parkeerbelasting verschuldigd was. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd.
8. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier, op 1 november 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Bijlage wettelijk kader

Gemeentewet
Artikel 225
(..)
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 van de gemeente Breda
Artikel 1
Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; (..)
Artikel 2
Onder de naam ‘parkeerbelastingen’ worden de volgende belastingen geheven:
a. een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; (..)
Artikel 6
1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij aanvang van het parkeren in werking stellen van parkeerapparatuur geschiedt door het met een (mobiele) telefoon of ander toegelaten communicatiemiddel inloggen op de centrale computer.(..)

Voetnoten

1.Artikel 8 van Pro de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 van de gemeente Breda en artikel 1 van Pro het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen 2020 van de gemeente Breda.
3.Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 maart 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AO7625.