Belanghebbende heeft op 3 april 2020 zijn auto gedurende 2 à 3 minuten met draaiende motor en gevarenlichten stilgezet op een parkeerplaats in Breda waar parkeerbelasting geldt. Tijdens een controle werd geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan, waarna een naheffingsaanslag werd opgelegd.
Belanghebbende voerde aan dat geen sprake was van parkeren omdat hij slechts kort stopte om de bijrijder geld te laten pinnen. De rechtbank oordeelde dat dit niet valt onder het begrip onmiddellijk in- of uitstappen zoals bedoeld in de gemeentelijke verordening en jurisprudentie. Het stilzetten van de auto in een parkeervak is voldoende om te spreken van parkeren.
De rechtbank stelde vast dat het pinnen van geld niet als een uitvoeringshandeling voor het voldoen van parkeerbelasting kan worden aangemerkt. Daarom was belanghebbende bij aanvang van het parkeren parkeerbelasting verschuldigd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.