ECLI:NL:RBZWB:2021:5702

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 november 2021
Publicatiedatum
10 november 2021
Zaaknummer
AWB- 21_4076 VV en AWB- 21_4053
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4 lid 11 Bijlage II BorArt. 8:86 AwbActiviteitenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening omgevingsvergunning sportschool ondanks geluidsoverlastbezwaar

Verzoekers, eigenaren van woningen boven de sportschool die worden verhuurd aan personen met een verstandelijke beperking, maakten bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor een sportschool vanwege geluidsoverlast. Zij vreesden overschrijding van geluidsnormen en betoogden dat stemgeluid en parkeergeluiden ten onrechte buiten beschouwing waren gelaten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekers voldoende tijd hadden gehad om een akoestisch tegenrapport te overleggen, maar dat nader onderzoek niet zou bijdragen aan de beoordeling. Het primaire besluit was herroepen en opnieuw verleend met aanvullende geluidsisolatievoorschriften, waaronder een zwevende vloer en het verbod op groepslessen. De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant had het aanvullende rapport beoordeeld en de maatregelen als toereikend beschouwd.

De rechter vond dat het stemgeluid en parkeergeluiden als indirecte hinder niet tot overschrijding van normen leiden en dat verzoekers onvoldoende hadden onderbouwd dat bewoners met een verstandelijke beperking extra gevoelig zijn voor geluidsoverlast. Gezien deze omstandigheden werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 21/4076 VV en BRE 21/4053 WABO

uitspraak van 11 november 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

1. [naam verzoeker 1]te [woonplaats verzoeker 1], verzoeker sub 1;
2. [naam verzoeker 2]te [woonplaats verzoeker 2], verzoeker sub 2;
3. [naam verzoekers 3]gevestigd te [vestigingsplaats verzoekers 3], verzoekster sub 3,
gemachtigde: J. van den Berg MSc
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[naam vergunninghouder], te [woonplaats vergunninghouder],
gemachtigde: Arez Goran.

Procesverloop

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 augustus 2021 (bestreden besluit) over de aan derde partij verleende omgevingsvergunning voor het vestigen van een sportschool voor de duur van 10 jaar op het perceel [adres 1 perceel] en [adres 2 perceel] te [plaats perceel].
Zij hebben de voorzieningenrechter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 28 oktober 2021. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde J. van den Berg MSc. Daarnaast heeft verzoekster sub 3 zich laten vertegenwoordigen door J.W.C. van Bergen.
Derde partij is in persoon verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Derde partij heeft op 16 maart 2020 omgevingsvergunning gevraagd voor het inrichten en gebruiken van de (met elkaar in verbinding staande) panden [adres 1 perceel] en [adres 2 perceel] ten behoeve van een fitnessclub/sportschool die 24 uur per dag geopend is. De vergunning is gevraagd voor een periode van 10 jaren.
Bij het primaire besluit van 19 mei 2020 heeft verweerder de gevraagde vergunning verleend. Daarbij is verweerder met toepassing van artikel 4, lid 11, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) afgeweken van de ter plaatse geldende bestemming “[naam bestemmingsplan]”. Deze bestemming laat slechts maatschappelijke voorzieningen tot maximaal 150 m2 toe. Niet in geding is dat de sportschool kan worden aangemerkt als een maatschappelijke voorziening, maar de vergunde sportschool van derde partij heeft een vloeroppervlakte van 500 m2.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van verzoekers gegrond verklaard, het primaire besluit van 19 mei 2020 herroepen en de gevraagde vergunning wederom verleend, zij het met een aangepaste motivering voor wat betreft de door verzoekers gevreesde geluidsoverlast.
2. Verzoekers sub 1 en sub 2 zijn de eigenaren van de woningen [adressen woningen]. Deze woningen bevinden zich boven de vergunde sportschool en worden gehuurd door verzoekster sub 3 ten behoeve van de huisvesting van personen met een verstandelijke beperking. Zij hebben aangevoerd dat door de vestiging van de sportschool het woon- en leefklimaat wordt aangetast. Verzoekers vrezen met name dat het geluidsniveau van maximaal 65 dB(A) overdag en ’s avonds en 61 dB(A) in de nachtperiode overschreden zal worden. Volgens verzoekers heeft verweerder hierbij ten onrechte het stemgeluid en de parkeergeluiden van komende en gaande sporters buiten beschouwing gelaten. Voorts hebben verzoekers betoogd dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het feit dat de bewoners met een verstandelijke beperking extra gevoelig zijn voor prikkels en daarmee ook voor geluidoverlast. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het ingestelde beroep.
3. Verzoekers hebben tijdens de zitting aan de voorzieningenrechter gevraagd om alleen uitspraak te doen op het verzoek om voorlopige voorziening omdat zij de mogelijkheid open willen houden om in de bodemprocedure nog een akoestisch tegenrapport te overleggen. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. Daarbij is van belang dat verzoekers, zoals besproken ter zitting, vanaf het primaire besluit van 19 mei 2020 tot aan de zitting van 28 oktober 2021 voldoende tijd hebben gehad om een akoestisch tegenrapport te overleggen terwijl verweerder de opmerkingen van verzoekers over het akoestisch rapport en de aanvullende notitie van [naam rapporteur] heeft laten beoordelen door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB). Voorts hebben zij de wens om eventueel een tegenrapport over te leggen verder niet geconcretiseerd (zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1565, i.h.b. r.o. 4.1).
4. Ingevolge artikel 4, lid 11, van Bijlage II van het Bor, komt voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking:
ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo kan een dergelijke omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
5. Bij de aanvraag heeft derde partij, ter onderbouwing van de stelling dat de sportschool niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, een akoestisch rapport van [naam rapporteur] overgelegd. In dit rapport van 12 februari 2020 zijn de benodigde bouwkundige maatregelen opgesomd die nodig zijn om met het gewenste muziekniveau in de sportschool aan de eisen van het Activiteitenbesluit te kunnen voldoen. In de notitie van [naam rapporteur] van 1 maart 2021 zijn aanvullend de invloed van stem- en sportgeluiden in de sportschool en de contactgeluiden door een vallende halter en door sportactiviteiten onderzocht. Volgens [naam rapporteur] zijn de aanbevolen bouwkundige voorzieningen voldoende geluidsisolerend om aan de normen van het Activiteitenbesluit te voldoen. Om te voorkomen dat door contactgeluiden tijdens het sporten de geluidsnormen worden overschreden heeft [naam rapporteur] geadviseerd om een zwevende vloer op de bestaande vloer aan te brengen.
Deze notitie van [naam rapporteur] is op 28 april 2021 beoordeeld door de OMWB. De OMWB heeft met de notitie ingestemd met de aantekening dat geen groepslessen gegeven mogen worden en een akoestisch zwevende vloer of een rubberen sporttegelvloer wordt aangebracht.
Hierop hebben verzoekers gereageerd met hun brief van 31 mei 2021. Verzoekers hebben daarin vraagtekens geplaatst bij de wijze waarop het akoestisch onderzoek is uitgevoerd en bij de conclusie die op basis van de resultaten zijn getrokken. Dit klemt te meer, aldus verzoekers, omdat de OMWB expliciet heeft aangegeven dat zij het akoestisch rapport van 12 februari 2020 niet heeft beoordeeld.
In reactie op deze kritiek van verzoekers heeft de OMWB in een notitie van 1 juli 2021 verklaard dat het feit dat hij het akoestisch rapport van 12 februari 2020 niet heeft beoordeeld, geen reden is om aan te nemen dat het primaire besluit tot verlening van de omgevingsvergunning niet zorgvuldig tot stand is gekomen. De OMWB heeft daarbij aangegeven dat hij er van uit is gegaan dat het rapport van [naam rapporteur] van 12 februari 2020 al door de gemeente Altena was beoordeeld.
5.1
De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekers op zich terecht hebben opgemerkt dat niet blijkt dat verweerder het akoestisch rapport van 12 februari 2020 heeft beoordeeld. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat dit rapport intern door de gemeentelijke deskundigen is beoordeeld en akkoord is bevonden. Alleen als er specifieke vragen rijzen dan wordt extern om advies gevraagd, aldus verweerder. Dat was het geval door de bezwaren van verzoekers die betrekking hadden op de invloed van stem- en sportgeluiden en de contactgeluiden tijdens het sporten. Deze bezwaren hebben geleid tot de aanvullende notitie van [naam rapporteur] en verweerder heeft deze notitie voorgelegd aan de OMWB. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de conclusie dat met het treffen van de geadviseerde voorzieningen aannemelijk is dat het geluidniveau in de sportruimte in de dag-, avond- en nachtperiode lager is dan de voorgeschreven 65dB(A). Niet gezegd kan worden dat aan het uiteindelijke geluidsadvies van zowel verweerder, [naam rapporteur] en de OMWB naar inhoud en wijze van totstandkoming dermate gebreken kleven dat verweerder zich niet op dit advies heeft kunnen baseren. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het primaire besluit herroepen en de vergunning opnieuw verleend. Ditmaal met de akoestische voorschriften dat de geluidsisolerende voorzieningen – zwevende vloer en sporttegel – vóór de opening over de gehele binnenvloer van de sportschool dienen te worden aangebracht en dat het organiseren van groepslessen niet is toegestaan. De voorzieningenrechter is met de OMWB van oordeel dat deze maatregelen op voorhand niet ontoereikend zijn om aan de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit te kunnen voldoen. Van belang daarbij is dat [naam rapporteur] gebruik heeft gemaakt van ervaringsgegevens van andere sportscholen die zeven dagen in de week gedurende 24 uur per dag open zijn. In het verlengde daarvan heeft derde partij ter zitting benadrukt dat alle andere vestigingen van [naam vergunninghouder] ook binnen het geluidniveau van 65 dB(A) blijven. Ten slotte merkt de voorzieningenrechter op dat, indien en voor zover de sportschool na ingebruikname de in het Activiteitenbesluit voorgeschreven geluidsnormen overschrijdt, verweerder gevraagd kan worden om ter zake handhavend op te treden.
5.2
Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat het stemgeluid en de parkeergeluiden van komende en gaande sporters moet worden aangemerkt als indirecte hinder, afkomstig vanuit de openbare ruimte. Volgens de OMWB zijn deze geluiden overdag en ’s avonds niet te onderscheiden van het overige verkeer. In de late avond- en nachtperiode is dit onderscheid wel te maken omdat de sportschool anders dan veel andere bedrijven ook in die periode geopend is. Maar de OMWB acht aannemelijk dat in deze perioden het aantal gebruikers van de sportschool dermate laag is dat eenvoudig kan worden voldaan aan de grenswaarden voor indirecte hinder als bedoeld in de zogeheten Schrikkelcirculaire. Deze circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, is getiteld ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer'. Blijkens de toelichting bij artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit (over de zorgplicht) in de Nota van toelichting (Staatsblad Jaargang 2007, nr. 415), kan bij het stellen van maatwerkvoorschriften de Schrikkelcirculaire als hulpmiddel dienen. Maar de voorzieningenrechter kan de OMWB volgen in het standpunt dat het stellen van maatwerkvoorschriften voor indirecte hinder in deze procedure niet aan de orde is. Verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het opleggen van gedragsvoorschriften aangewezen is om aan de grenswaarden te kunnen voldoen.
5.3
De stelling van verzoekers dat de bewoners met een verstandelijke beperking extra gevoelig zijn voor prikkels en daarmee ook voor geluidoverlast en dat verweerder daar onvoldoende gewicht aan heeft toegekend, kan niet leiden tot het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen afwijken van het bestemmingsplan. Verzoekers hebben niet onderbouwd dat mensen met een verstandelijke beperking in het algemeen gevoeliger zijn voor geluid, in die zin dat strengere normen aangehouden moeten worden dan bepaald is in het Activiteitenbesluit. Zij hebben evenmin onderbouwd dat in het bijzonder de bewoners van de woningen boven de sportschool aangewezen zijn op strengere geluidsnormen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster sub 3 weliswaar verklaard dat bewoners van de woningen boven de sportschool een prikkelverwerkingsstoornis hebben, maar door het ontbreken van enige onderbouwing is niet duidelijk of deze stoornis voor één, voor meerdere of zelfs voor alle bewoners geldt, of deze stoornis voor de desbetreffende bewoners ook betrekking heeft op geluiden en zo ja, of die stoornis leidt tot de conclusie dat één, meerdere of alle bewoners geluidsoverlast van de sportschool kunnen ondervinden. Van belang is daarbij dat in de ruimte onder (een aantal van) de woningen in planologisch opzicht al zonder meer een sportschool met een oppervlakte van maximaal 150 m2 is toegelaten.
6. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het beroep van verzoekers ongegrond verklaard dient te worden. Het verzoek om voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 11 november 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
P.H.M. Verdonschot, griffier E.J. Govaers, voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.