4.3De rechtbank overweegt dat uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder niet alleen zijn fysieke klachten mede als gevolg van de doorgemaakte CVA, maar ook de psychische problemen zoals die ook blijken uit de verandering in karakter en gedrag van eiser.
De rechtbank constateert dat de arts b&b een aantal beperkingen, vastgesteld door de verzekeringsarts van Ergatis, overneemt, maar niet allemaal of niet in dezelfde mate. Enkel ten aanzien van de urenbeperking wordt dit in de rapportage van de arts b&b gemotiveerd. Ten aanzien van de volgende items ontbreekt een motivering. Op het item 1.2 (verdelen van aandacht) geeft Ergatis een beperking aan (beperkt), welke door de arts b&b niet wordt overgenomen. Verder heeft de arts b&b op de items 2.6 (emotionele problemen van anderen hanteren) en 2.7 (eigen gevoelen uiten) weliswaar een beperking aangenomen (beperkt), maar Ergatis komt hier tot ‘sterk beperkt’.
Het ontbreken van een motivering van het niet overnemen van deze beperkingen klemt temeer nu in de door eiser overgelegde verklaringen van psychiater [naam psychiater 2] ook gesproken wordt van beperkte concentratie- en aandachtspanne en problemen met conflicthantering en emotieregulering, waaraan een sterk gevoel van falen en tekortschieten en een snelle spanningsopbouw en onvermogen om dit te kunnen kanaliseren bijdragen.
Op grond van het voorgaande is de motivering in de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 28 november 2019 onvoldoende om het bestreden besluit te kunnen dragen.
De twijfel aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen, wordt voorts gevoed door de door eiser overgelegde recente rapportage van verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] van 2 november 2020. Hierin wordt, na uitval uit een uitzendbaan in maart 2020, geconcludeerd dat er ook beperkingen gelden ten aanzien van concentratie, verdelen van aandacht, inzicht in eigen kunnen en handelingstempo, terwijl eiser niet in staat is om met collega’s om te gaan. De verzekeringsarts stelt dat er daarom feitelijk sprake is van geen benutbare mogelijkheden (GBM) en dat verbetering van de medische toestand van eiser niet meer is te verwachten. De verzekeringsarts heeft eiser gezien en beoordeeld op 19 oktober 2020. De datum in geding in de procedure waarover de rechtbank nu moet oordelen is echter 17 mei 2019. Verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] stelt in haar rapportage over de periode voorafgaand aan haar beoordeling echter:
“Het is logisch dat bij de eerste WIA beoordeling in 2017 er goede hoop bestond dat het functioneren van cliënt nog zou verbeteren, zeker met behandeling. Toch wordt in feite al bij het NPO in 2016 een beeld geschetst van zeer grote problemen in het gedrag van cliënt. Bij alle beoordelingen hierna wordt steeds deze zelfde problematiek beschreven. Duidelijk wordt ook dat deze problematiek niet reageert op alle behandeling en begeleiding die er is geweest. Steeds duidelijker wordt dat zijn agressie op alle niveaus van het leven ontwrichtend werkt.”
Gelet hierop en nu het CVA in 2015 van eiser steeds als oorzaak van al zijn problemen naar voren komt, terwijl de situatie van eiser na 2016 niet lijkt te zijn veranderd, bestaat gerede twijfel of niet al tot forsere beperkingen voor eiser moet worden gekomen op de datum in geding (17 mei 2019).
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.
5. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten 'bestuurlijke lus'. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het UWV in de gelegenheid stellen om de verzekeringsarts b&b te vragen wat de belastbaarheid van eiser is op 17 mei 2019 met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen.
De rechtbank zal daarna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.
6. De rechtbank zal de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen bepalen op zes weken. Als het UWV hiervan geen gebruik wil maken, dan dient het UWV dit binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen. Als het UWV wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting einduitspraak doen.
7. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat laatste betekent ook dat de rechtbank over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.