ECLI:NL:RBZWB:2021:5821

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 november 2021
Publicatiedatum
12 november 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 7524
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 234 Gemeentewet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens verkeerde zonekeuze

Belanghebbende parkeerde op 10 februari 2020 met zijn auto op een locatie in Breda waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting geparkeerd mag worden. Tijdens controle bleek dat onvoldoende parkeerbelasting was voldaan omdat belanghebbende via de Parkmobile-app een verkeerde parkeerzone had geselecteerd. Hierdoor was het betaalde tarief lager dan het geldende tarief op de parkeerlocatie.

De heffingsambtenaar legde een naheffingsaanslag op van € 2,30 vermeerderd met € 64,50 aan kosten. Belanghebbende stelde dat hij niet de intentie had om te weinig te betalen, maar de rechtbank oordeelde dat opzet of schuld niet vereist zijn voor het opleggen van een naheffingsaanslag. Het risico van het selecteren van de verkeerde zone ligt bij de parkeerder.

De rechtbank baseerde zich op artikel 234 van Pro de Gemeentewet, dat het opleggen van een forfaitaire naheffing en kosten mogelijk maakt. Het kostenbedrag was conform het maximale door de staatssecretaris vastgestelde bedrag. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 20/7524
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 9 november 2021 van de enkelvoudige kamer in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (Belastingsamenwerking West-Brabant), de heffingsambtenaar.

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 juli 2020 het bezwaar van belanghebbende tegen de opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2021. Daar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en namens de heffingsambtenaar [naam] via beeldbellen.
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Belanghebbende stond op 10 februari 2020 omstreeks 11:02 uur met de auto met kenteken [kenteken] op een parkeerplaats aan de [straatnaam] in Breda. Op deze locatie mag alleen tegen betaling van parkeerbelasting worden geparkeerd.
2. Tijdens een controle op voormelde datum en tijdstip is geconstateerd dat voor de auto geen (of te weinig) parkeerbelasting was voldaan. Daarom is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd ter grootte van € 2,30, vermeerderd met € 64,50 aan kosten.
3. In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.
4. Belanghebbende had via de app van Parkmobile zijn auto aangemeld in zone 21891. Belanghebbende stond echter geparkeerd op het [straatnaam] in zone 21881. Het tarief in zone 21891 bedraagt € 1,50 per uur en het tarief in zone 21881 bedraagt € 2,30 per uur.
5. Door het selecteren van de verkeerde zone op de app van Parkmobile heeft eiser dus te weinig parkeerbelasting voldaan. De rechtbank is van oordeel dat dit voor risico van eiser moet blijven. Het is de verantwoordelijkheid van eiser dat hij zich in de parkeerapp en ter plaatse op de hoogte stelt van het op de parkeerlocatie van toepassing zijnde parkeerregime.
6. Dat belanghebbende, zoals hij heeft gesteld, niet de intentie had om te weinig belasting te betalen, maakt niet dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting ten onrechte is opgelegd. Immers, opzet of schuld zijn geen vereiste voor het opleggen van een naheffingsaanslag. Het enkele feit dat geen of te weinig parkeerbelasting is betaald, is voldoende om een naheffingsaanslag op te leggen.
7. Op grond van artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet mag de heffingsambtenaar de naheffing parkeerbelasting baseren op een fictieve parkeerduur van één uur voor het tarief dat ter plaatse geldt (dus een forfaitair bedrag), ook als wèl parkeerbelasting is voldaan, maar te weinig. In artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet staat verder dat bij het opleggen van een naheffingsaanslag de kosten daarvan in rekening worden gebracht. Het kostenbedrag
(€ 64,50) is niet hoger dat het maximale bedrag dat de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken heeft vastgesteld voor het jaar 2020 in het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen.
De naheffingsaanslag is dus niet te hoog vastgesteld.
8. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier, op 9 november 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.