ECLI:NL:RBZWB:2021:5895
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen vaststelling beslagvrije voet UWV na vaststellingsovereenkomst
Eiser had bezwaar gemaakt tegen het UWV-besluit om maandelijks € 372,72 in te houden op zijn uitkering wegens terugvorderingen van teveel ontvangen WW- en Ziektewet-uitkeringen. Het UWV had het bezwaar gegrond verklaard en de beslagvrije voet herberekend op € 259,14 per maand, waarbij eiser vond dat ook de zorgpremie voor zijn vrouw en dochter meegenomen moest worden.
Tijdens de procedure bleek dat partijen op 24 juni 2021 een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten waarin afspraken waren gemaakt over de aflossingscapaciteit vanaf 1 juli 2020. Eiser wilde de procedure voortzetten omdat hij vond dat de correctie met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 had moeten plaatsvinden.
De rechtbank oordeelde dat het geschil zich beperkte tot de periode vanaf 1 juli 2020 en dat eiser met de vaststellingsovereenkomst geen gunstiger positie meer kon verkrijgen. Omdat de periode vanaf 1 januari 2020 niet aan de orde was, ontbrak het eiser aan procesbelang. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het UWV wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.