Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Procesverloop
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een chemische dienstverlener die bedrijfsafvalwater loost, maakte bezwaar tegen een aanslag zuiveringsheffing voor het jaar 2017. De heffingsambtenaar had de aanslag opgelegd op basis van metingen volgens een beperkte meetfrequentie, vastgelegd in een meetbeschikking van mei 2017. Belanghebbende stelde dat de steekmonsters niet representatief waren vanwege variërende lozing, waardoor de aanslag onjuist zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat de aanslag terecht was opgelegd conform artikel 10 en Pro bijlage 1 van de Verordening zuiveringsheffing en de meetbeschikking. Belanghebbende had tegen de meetbeschikking zelf geen bezwaar gemaakt, waardoor de meetmethode niet ter discussie kon worden gesteld. Ook het argument dat tussendoormonsters onterecht waren meegenomen faalde, omdat deze waren gebruikt als controlemiddel vanwege onvoldoende aangeleverde monsters en dit was toegestaan op grond van de Verordening.
Daarnaast werd het beroep op het beleid van Rijkswaterstaat verworpen, omdat dit geen bindend beleid voor de gemeente vormde en geen rechtens te beschermen vertrouwen kon scheppen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag zuiveringsheffing 2017 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.