Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per peildatum 1 januari 2019, die was vastgesteld op €205.000. De heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk handhaafde deze waarde in zijn uitspraak op bezwaar van 16 november 2020. Tijdens de beroepsprocedure kwamen partijen overeen de waarde vast te stellen op €185.000, hetgeen de rechtbank overneemt en de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig vermindert.
Het geschil spitste zich toe op de vergoeding van proceskosten. Belanghebbende bracht een taxatierapport in als nieuwe informatie bij het beroepschrift, dat niet eerder in de bezwaarfase bekend was. De heffingsambtenaar stelde dat het rapport eerder overlegd had moeten worden en dat het late overleg geen onrechtmatigheid opleverde. De rechtbank oordeelde dat het niet met zekerheid vaststaat dat eerder overleg tot een andere uitkomst had geleid, omdat WOZ-waardering een waarderingskwestie is met uiteenlopende uitgangspunten.
De rechtbank achtte de gemaakte kosten voor rechtsbijstand redelijk, aangezien belanghebbende succesvol een te hoge waardering aanvocht en het taxatierapport niet in de bezwaarfase bekend was. De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €1.331, bestaande uit kosten voor juridische bijstand in de bezwaar- en beroepsfase. De heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van deze kosten en het betaalde griffierecht van €48.