Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Motivering
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2015. De voorlopige aanslag werd opgelegd in januari 2015 en de definitieve aanslag in juni 2019. Belanghebbende diende een verzoek om ambtshalve vermindering in januari 2021 in, na de wettelijke termijn van vijf jaar.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaarschrift, ontvangen in januari 2021, niet tijdig is ingediend omdat de bezwaartermijn zes weken na de definitieve aanslag in augustus 2019 was verstreken. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar gemaakt. Ook het verzoek om ambtshalve vermindering is afgewezen omdat dit te laat is ingediend, na het verstrijken van de vijfjaarstermijn. Belanghebbende stelde dat ziekenhuisopname de vertraging veroorzaakte, maar leverde geen bewijs daarvoor.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. Tevens is gewezen op de mogelijkheid tot overleg met de Belastingdienst over eventuele financiële consequenties als de aanslag nog niet is voldaan.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2015 wordt ongegrond verklaard vanwege niet-tijdig ingediend bezwaar en te laat verzoek om ambtshalve vermindering.