Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 1 december 2021 van de enkelvoudige kamer op het verzet van
Procesverloop
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
Verzet
Oordeel van de verzetrechter
Conclusie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Een verzoeker heeft een beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking door het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek in verband met een AVG-verzoek om inzage in persoonsgegevens. Het college stelde dat geen dwangsommen verschuldigd waren omdat de verzoeker geen belanghebbende was, mede omdat zijn identiteit niet was vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het uitblijven van een dwangsombeschikking niet-ontvankelijk, maar oordeelde dat het dwangsombesluit van het college onterecht was omdat de verzoeker wel belanghebbende was. Het college werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het college stelde vervolgens verzet in tegen deze uitspraak, stellende dat geen besluit op bezwaar was genomen en dat de verzoeker zich niet had geïdentificeerd.
De verzetrechter oordeelde dat het college ten onrechte had besloten dat er geen dwangsommen waren verbeurd en bevestigde dat de verzoeker belanghebbende is. Wel werd erkend dat het college niet verplicht was een nieuw besluit op bezwaar te nemen, maar een nieuwe dwangsombeschikking. Het verzet werd ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van 20 mei 2021 in stand bleef met deze nuance.
Uitkomst: Het verzet tegen de uitspraak over het dwangsombesluit wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft grotendeels in stand.