ECLI:NL:RBZWB:2021:616

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 februari 2021
Publicatiedatum
16 februari 2021
Zaaknummer
AWB- 21_666 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8i OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 38 Geneesmiddelenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing intrekking opiumontheffing voor productie farmaceutische grondstoffen

Verzoekster, actief in de productie van cannabis flos voor farmaceutische grondstoffen, maakte bezwaar tegen het besluit van de minister om haar opiumontheffing voor wetenschappelijke doeleinden per 18 februari 2021 in te trekken en de overeenkomst inzake cannabisteelt te ontbinden.

De voorzieningenrechter overwoog dat de centrale vraag of verzoekster naast haar API-registratie ook een opiumontheffing nodig heeft, binnenkort in een bodemprocedure zal worden behandeld. Gezien de lopende procedure en het belang van verzoekster, die werkgelegenheid biedt aan 32 fte, werd het besluit geschorst tot zes weken na de uitspraak in die procedure.

Verzoekster had meer cannabisplanten dan toegestaan, maar bleef bij haar standpunt dat de opiumontheffing niet nodig is vanwege haar API-registratie. De voorzieningenrechter vond dat onmiddellijke intrekking onevenredig nadeel zou opleveren en wees de overige vorderingen af.

Verweerder moet het betaalde griffierecht en proceskosten vergoeden. De uitspraak is bindend voor de voorlopige voorziening en niet voor de bodemprocedure.

Uitkomst: De intrekking van de opiumontheffing wordt geschorst tot zes weken na de uitspraak in de bodemprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/666 VV

uitspraak van 12 februari 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [vestigingsplaats verzoekster], verzoekster,

gemachtigde: dr. mr. H.M.J. Later-Nijland
en

de minister voor Medische Zorg, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 4 februari 2021 (bestreden besluit) inzake de intrekking van de aan verzoekster verleende opiumontheffing voor wetenschappelijke doeleinden met registernummer [registratienummer] per 18 februari 2021.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder tevens de overeenkomst inzake de teelt van cannabis (kenmerk [kenmerk]), gesloten op grond van artikel 8i, tweede lid, van de Opiumwet tussen het Bureau Medicale Cannabis en verzoekster, per 18 februari 2021 ontbonden.
Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Verzoekster richt zich op de productie van grondstoffen voor de farmaceutische industrie. De productie vindt plaats door middel van de teelt van cannabis flos. Dit is medicinale cannabis die bestaat uit de gedroogde bloemtoppen van de (vrouwelijke) hennepplanten. Op grond van de Europese Geneesmiddelenrichtlijn dienen fabrikanten en groothandelaars van werkzame stoffen hun activiteiten aan te melden bij de lidstaat waarin zij gevestigd zijn. Werkzame stoffen zijn de actieve bestanddelen (in het Engels: Active Pharmaceutical Ingredients: API) van geneesmiddelen die het farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect bewerkstelligen. Op 24 augustus 2018 heeft verzoekster een zogeheten API-registratie aangevraagd bij Farmatec, een onderdeel van het Ministerie Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Deze API-registratie is op 12 mei 2020 verleend.
Op 10 mei 2019 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om ontheffing van het in de Opiumwet neergelegde verbod om cannabis binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren, aanwezig te hebben, te vervaardigen. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij de ontheffing nodig heeft ten behoeve van de jaarlijkse levering van 3000 kg cannabis flos aan [naam bedrijf].
Bij besluit van 10 juni 2020 heeft verweerder de gevraagde ontheffing geweigerd.
In het daartegen ingediende bezwaarschrift heeft verzoekster zich (primair) op het standpunt gesteld dat geen ontheffing nodig is omdat haar productie en verkoop van de cannabis flos geregeerd wordt door artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet en deze bepaling derogeert aan het in artikel 3 van Pro de Opiumwet neergelegde algemene verbod om drugs te produceren en te verkopen.
Bij besluit van 24 november 2020 heeft verweerder de bezwaren van verzoekster ongegrond verklaard. Daarbij is de weigering om ontheffing te verlenen in stand gelaten, maar niet omdat de ontheffing niet nodig zou zijn.
Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld. Dit beroep heeft procedurenummer BRE 20/10414 en zal worden behandeld op de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 4 maart 2021.
Tijdens een controle op 14 januari 2021 is door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd geconstateerd dat bij verzoekster veel meer cannabisplanten aanwezig zijn dan toegestaan is op grond van de opiumontheffing voor wetenschappelijke doeleinden. Op basis van deze ontheffing mochten maximaal 6.000 planten aanwezig zijn maar volgens de inspectie waren er op dat moment ruim 17.664 planten aanwezig.
Bij brief van 19 januari 2021 heeft verweerder – voor zover hier van belang – verzoekster verzocht alle planten, met uitzondering van de maximaal 6.000 toegestane planten, uiterlijk op 2 februari 2021 te vernietigen en daarvan een bewijs over te leggen.
Verzoekster heeft geen gehoor gegeven aan dit verzoek omdat zij nog steeds op het standpunt staat dat een opiumontheffing voor dat aantal planten niet benodigd is omdat zij beschikt over de API-registratie.
Vervolgens heeft verweerder bij het bestreden besluit de opiumontheffing voor wetenschappelijke doeleinden ingetrokken en de overeenkomst inzake de teelt van cannabis ontbonden.
2. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen en – op straffe van verbeurte van een dwangsom - te bepalen dat het verweerder niet is toegestaan om handhavend op te treden ten aanzien van haar API-voorraad of de onderzoeksvoorraad en voorts verweerder te veroordelen tot betaling van een voorschot op de vergoeding van de schade die door verzoekster is geleden.
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het geschil zich toespitst op de vraag of eiseres voor de productie van grondstoffen voor de farmaceutische industrie naast haar API-registratie tevens dient te beschikken over een opiumwetontheffing. Deze vraag staat ook centraal in procedure BRE 20/10414 en zal worden behandeld op de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 4 maart 2021. Op deze zitting zal ook het bezwaarschrift van verzoekster tegen twee besluiten van verweerder van 4 en 18 december 2020 als rechtstreeks beroep behandeld worden. Voor de beoordeling van dit beroep is de beantwoording van vorenbedoelde vraag eveneens van belang. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster al enkele jaren bezig is met de productie van cannabis flos in haar fabriek in [vestigingsplaats verzoekster] en dat zij momenteel werkgelegenheid biedt voor 32 fte. In het gegeven dat de rechtbank binnen afzienbare tijd in een bodemprocedure de vraag zal beantwoorden of verzoekster de op 10 mei 2019 gevraagde ontheffing nodig heeft en zo ja, of verweerder die ontheffing op goede gronden heeft geweigerd, ziet de voorzieningen-rechter aanleiding om, ter voorkoming van onevenredig nadeel voor verzoekster, het bestreden besluit schorsen tot zes weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat ook verweerder deze uitspraak van de rechtbank afwacht alvorens een handhavingsprocedure op te starten en ziet daarom vooralsnog geen aanleiding om de overige vorderingen van verzoekster toe te wijzen. Daarbij is in aanmerking genomen dat het in de rede ligt dat verweerder bij een dergelijke handhavingsprocedure kiest voor het opleggen van een last onder bestuursdwang dan wel een last onder dwangsom en dat deze dwangmiddelen zelfstandig appellabel zijn.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om schorsing van het bestreden besluit toe. Het verzoek zal voor het overige worden afgewezen. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht te vergoeden. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 534,‑ en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank in de procedure BRE 20/10414;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,-- aan verzoekster te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 534,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier en op 12 februari 2021 openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
P.H.M. Verdonschot, griffier T. Peters, voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.