Verzoekster, actief in de productie van cannabis flos voor farmaceutische grondstoffen, maakte bezwaar tegen het besluit van de minister om haar opiumontheffing voor wetenschappelijke doeleinden per 18 februari 2021 in te trekken en de overeenkomst inzake cannabisteelt te ontbinden.
De voorzieningenrechter overwoog dat de centrale vraag of verzoekster naast haar API-registratie ook een opiumontheffing nodig heeft, binnenkort in een bodemprocedure zal worden behandeld. Gezien de lopende procedure en het belang van verzoekster, die werkgelegenheid biedt aan 32 fte, werd het besluit geschorst tot zes weken na de uitspraak in die procedure.
Verzoekster had meer cannabisplanten dan toegestaan, maar bleef bij haar standpunt dat de opiumontheffing niet nodig is vanwege haar API-registratie. De voorzieningenrechter vond dat onmiddellijke intrekking onevenredig nadeel zou opleveren en wees de overige vorderingen af.
Verweerder moet het betaalde griffierecht en proceskosten vergoeden. De uitspraak is bindend voor de voorlopige voorziening en niet voor de bodemprocedure.