ECLI:NL:RBZWB:2021:6197

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 september 2021
Publicatiedatum
3 december 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5951
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:106 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep inkomstenbelasting 2017

Belanghebbende was in beroep gegaan tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2017, inclusief belastingrente. Tijdens de zitting werd afgesproken dat belanghebbende aanvullende stukken mocht aanleveren, waaronder een formulier voor proceskostenvergoeding. De inspecteur stemde in met aanpassing van de aanslag en verwachtte intrekking van het beroep.

Belanghebbende trok het beroep vervolgens in en verzocht om vergoeding van proceskosten. De rechtbank oordeelde dat aan de voorwaarden voor proceskostenveroordeling was voldaan, omdat de inspecteur aan belanghebbende tegemoet was gekomen en het verzoek om vergoeding gelijktijdig met de intrekking was gedaan.

De rechtbank stelde de proceskosten vast op €189,02, bestaande uit verblijf- en reiskosten, en veroordeelde de inspecteur tot betaling hiervan. Er was geen bezwaar tegen de hoogte van de kosten. De uitspraak is gedaan door rechter J.H. Bogert op 15 september 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De inspecteur is veroordeeld tot betaling van €189,02 aan proceskosten aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 20/5951
uitspraak van 15 september 2021
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a in verbinding met artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats] ,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
Betreft
Het verzoek van belanghebbende op grond van artikel 8:75a van de Awb om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten.

1.Beslissing

De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 189,02.

2.Gronden

2.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd en daarbij bij beschikking belastingrente in rekening gebracht (aanslagnummer [aanslagnummer] H.76.01). Belanghebbende is in beroep gekomen tegen de opgelegde aanslag en beschikking belastingrente.
2.2.
Partijen zijn ter zitting van 22 april 2021 te Breda overeengekomen dat belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld nadere stukken aan te leveren binnen een door de rechtbank vast te stellen termijn.
2.3.
Belanghebbende heeft binnen de door de rechtbank gestelde termijn stukken aangeleverd. Onder de stukken bevond zich een formulier proceskosten. Deze stukken zijn bij brief van 30 april 2021 ter beoordeling verstuurd naar de inspecteur. De inspecteur is daarbij expliciet gewezen op het formulier proceskosten en in de gelegenheid gesteld om indien gewenst op het formulier proceskosten te reageren.
2.4.
De inspecteur heeft bij brief van 17 mei 2021 aan de rechtbank bericht dat nadere afstemming heeft plaatsgevonden met belanghebbende en dat de aanslag IB/PVV 2017 zal worden aangepast overeenkomstig de ingediende aangifte. De inspecteur heeft daarbij aangegeven dat hij verwacht dat het beroep zal worden ingetrokken. De inspecteur heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van het het formulier proceskosten.
2.5.
De rechtbank heeft van belanghebbende met dagtekening 19 mei 2021 een verklaring intrekking van het beroep ontvangen.
2.6.
Belanghebbende heeft na intrekking van het beroep verzocht om een vergoeding van proceskosten. De rechtbank beschouwt voor dit geval het door belanghebbende tijdens de onderhandelingen ingediende formulier proceskosten als een verzoek om een proceskostenvergoeding dat tegelijkertijd met de intrekking van het beroep is gedaan.
2.7.
De rechtbank overweegt dat aan de vereisten voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb is voldaan, nu de inspecteur aan belanghebbende tegemoet is gekomen en belanghebbende met de intrekking van het beroep om een proceskostenvergoeding heeft verzocht.
2.8.
De rechtbank vindt daarom aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenvergoeding van in totaal € 189,02 (€ 79,50 verblijfkosten en € 109,52 reiskosten). Nu op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen en de inspecteur geen bezwaar heeft gemaakt tegen de hoogte van deze kosten, stelt de rechtbank deze kosten vast op een bedrag van € 189,02.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Krishnapillai, griffier, op 15 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
***Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 8:55, derde lid en artikel 8:106, eerste lid Awb).