ECLI:NL:RBZWB:2021:6240
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot intrekking omgevingsvergunning voor rundveestal wegens redelijke belangenafweging
Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau om de omgevingsvergunning voor het bouwen van een rundveestal in te trekken, omdat er geen tijdige aanvang was gemaakt met de bouw en het gebruik van de stal. Het college wees dit verzoek af, waarna eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank stelde vast dat vergunninghouder vertraging had opgelopen door externe omstandigheden zoals de stikstofdiscussie, drukte bij aannemers en de uitbraak van het Covid-19 virus. Desondanks was er inmiddels een begin gemaakt met de bouw, waaronder het aanbrengen van de fundering en het plaatsen van stalen constructies. Verweerder had voldoende aannemelijk gemaakt dat de vergunninghouder de vergunning op korte termijn zou benutten.
De rechtbank oordeelde dat het college bij zijn besluit een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt, waarbij ook de belangen van de vergunninghouder waren betrokken. Het feit dat verweerder informatie had ingewonnen bij de adviseur van de vergunninghouder leidde niet tot twijfel over de onafhankelijkheid van de belangenafweging.
Daarmee kon het college in redelijkheid het verzoek tot intrekking afwijzen. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunning wordt afgewezen.