ECLI:NL:RBZWB:2021:6261

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 december 2021
Publicatiedatum
8 december 2021
Zaaknummer
AWB- 21_4578 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen verlaagde bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van Orionis Walcheren om haar bijstandsuitkering te verlagen met 20% vanwege het ontbreken van woonlasten, nadat zij was verhuisd naar een briefadres bij een vriendin. Zij stelde dat zij wel woonlasten had en dat zij geld leende om deze te betalen, en verzocht om een voorschot op de volledige bijstandsuitkering zonder verlaging.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld en geconcludeerd dat er geen sprake is van een acute financiële noodsituatie of een spoedeisend belang dat onmiddellijke toewijzing rechtvaardigt. Verzoekster kon met haar uitkering en zorgtoeslag in haar levensonderhoud voorzien en had geen objectief bewijs geleverd van de gestelde woonlasten of extra kosten.

De rechter overwoog dat het feit dat verzoekster schulden heeft bij haar vriendin en dat zij geld leent, niet voldoende is om een voorlopige voorziening toe te kennen, omdat bijstand niet bedoeld is voor schuldaflossing. Ook de overige door verzoekster genoemde extra kosten waren onvoldoende onderbouwd.

Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verlaagde bijstandsuitkering is afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/4578 VV

uitspraak van 8 december 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster,

gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen,
en

het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 oktober 2021 van Orionis (bestreden besluit) over de toekenning per 18 april 2021 van een verlaagde bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 24 november 2021. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Orionis heeft zich laten vertegenwoordigen door N.M. Feijtel en M.G.A. Boender.

Overwegingen

1.
Feiten.
Verzoekster stond tot 15 april 2021 in de Basisregistratie personen (Brp) met haar ex-partner ingeschreven op het adres [adres verzoekster] in [woonplaats verzoekster]. Verzoeksters ex-partner ontving een AOW-pensioen dat werd aangevuld met een zogenoemde Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO-aanvulling).
Op 20 april 2021 heeft verzoekster bij Orionis gemeld dat zij in verband met een relatiebreuk tijdelijk verblijft op het adres [tijdelijk adres verzoekster] in [woonplaats verzoekster] bij een goede vriendin. Dit betreft een briefadres. Verzoekster heeft aangegeven dat zij op verschillende adressen slaapt. Zij heeft Orionis verzocht om haar een bijstandsuitkering toe te kennen.
Bij besluit van 20 mei 2021 (primair besluit) heeft Orionis aan verzoekster met ingang van 18 april 2021 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande en deze verlaagd met 20% van de gehuwdennorm omdat verzoekster geen woonlasten heeft.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Op 20 september 2021 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Bij het bestreden besluit heeft Orionis het primaire besluit, na bezwaar, gehandhaafd.
2.
Standpunt verzoekster.
2.1.
Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat zij door het wegvallen van de mogelijkheid geld te lenen van haar goede vriendin [naam vriendin] niet langer in staat is in haar levensonderhoud te voorzien. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorschot op de bijstandsuitkering toe te kennen naar de norm voor een alleenstaande zonder verlaging.
2.2.
Verzoekster is het niet eens met de toekenning van een verlaagde bijstandsuitkering omdat zij naar zij stelt geen lagere woonkosten heeft. Zij stelt onder meer dat zij vanaf half april 2021 op grond van het met haar ex-partner afgesloten convenant aan haar de helft van de woonlasten betaalt en hiervoor telkens geldleningen met [naam vriendin] afsluit. Ter onderbouwing hiervan heeft verzoekster schriftelijke bewijsstukken overgelegd namelijk de huurovereenkomst garage, kwitanties van betaalde huur aan haar ex-partner en geldleningsovereenkomsten met [naam vriendin]. Verzoekster wijst erop dat [naam vriendin] heeft aangegeven niet langer geld te willen lenen en terugbetaling eist van de opgebouwde schuld.
3.
Overwegingen van de voorzieningenrechter
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemzaak niet.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat er pas aanleiding kan zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening als een spoedeisend belang dat vereist.
De mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen, is niet bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.
Een financieel belang op zichzelf is geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dit kan wel het geval zijn als sprake is van een acute financiële noodsituatie.
Bij brief van 26 oktober 2021 is verzoekster verzocht de spoedeisendheid van haar verzoek toe te lichten door middel van een overzicht van haar financiële situatie waaruit blijkt van haar inkomsten (waaronder ook toeslagen), vaste lasten, spaargelden of andere vermogensbestanddelen, bij voorkeur met bewijsstukken. In ieder geval is verzocht om een kopie van de laatste bankafschriften (ook van eventuele spaarrekeningen) over te leggen.
Verzoekster heeft bij brief van 1 november 2021 gereageerd. Zij wijst erop dat zij op basis van het echtscheidingsconvenant elke maand € 350,- betaalt aan haar ex-partner. Daarmee mogen haar persoonlijke spullen en inboedel in de woning blijven en kan zij daar een paar nachten per maand overnachten. Verder leent zij elke maand dit bedrag van [naam vriendin] maar deze gaat eind november 2021 verhuizen en heeft het geld maandelijks zelf nodig. Zij zou het geleende bedrag graag zo spoedig mogelijk terug ontvangen. Verzoekster voelt zich daardoor erg bezwaard. Verder stelt verzoekster dat zij meerkosten heeft voor hondenvoer omdat haar hulphond allergisch is voor granen. Ook heeft zij in de zomermaanden veel hondenvoer maar ook voedsel voor zichzelf weg moeten gooien omdat zij het vanwege de warmte niet kon bewaren.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een acute financiële noodsituatie of onomkeerbare situatie en betrekt hierbij het volgende.
Verzoekster kan van haar bijstandsuitkering (in oktober 2021 € 756,93) en zorgtoeslag
(€ 43,-) voorzien in haar levensonderhoud en haar zorgverzekering betalen. Op het door verzoekster overgelegde bankafschrift over de maand oktober 2021 zijn geen bijzonderheden te zien. Het positieve eindsaldo bedraagt € 507,61. Voor zover verzoekster stelt dat zij maandelijks € 350,- betaalt aan haar ex-partner overweegt de voorzieningenrechter dat deze stelling niet met objectief en verifieerbaar bewijs is onderbouwd.
Verzoekster heeft vanaf mei 2021 geen woonlasten. Zij verblijft op verschillende adressen waar zij, zoals zij ter zitting heeft bevestigd, gratis mag overnachten. Als zij op het overnachtingsadres de boodschappen voor een maaltijd betaalt, kan zij bij Orionis een bedrag van € 7,50 per nacht declareren. Verder kan verzoekster voor de huurkosten van de garage (opslagkosten) bijzondere bijstand aanvragen, wat verzoekster inmiddels heeft gedaan. De door verzoekster gestelde extra kosten, te weten reiskosten naar de verschillende logeeradressen, dieetvoer voor haar hulphond, extra kosten mobiele telefoon en extra kosten dagproviand vanwege het ontbreken van een koelkast, heeft zij niet onderbouwd.
Dat verzoekster, naar zij stelt, schulden heeft bij [naam vriendin] leidt niet tot een ander oordeel nu de bijstand in beginsel niet bedoeld is om schulden af te lossen en niet is gebleken dat de schulden zodanig bedreigend zijn dat hierdoor sprake is van een spoedeisend belang. Verder is ook op andere wijze niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat de uitspraak op het beroep niet door haar kan worden afgewacht.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Aan een (verdere) inhoudelijke beoordeling wordt gelet hierop niet toegekomen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both-Attema, griffier, op 8 december 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.