ECLI:NL:RBZWB:2021:6318
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens termijnoverschrijding bij weigering WW-uitkering
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV van 9 juni 2021 waarin een WW-uitkering werd geweigerd. Dit bezwaar werd door het UWV aangemerkt als beroepschrift en naar de rechtbank doorgezonden. De rechtbank stelde vast dat het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken was ingediend, aangezien het pas op 26 juli 2021 ter post werd aangeboden en op 27 juli 2021 werd ontvangen, terwijl de termijn op 21 juli 2021 was geëindigd.
Eiser voerde aan dat hij uitging van een andere termijn vanwege een later ontvangen invorderingsbeslissing en dat hij door de spoedopname van zijn vader in het ziekenhuis en de daaropvolgende zorg voor zijn ouders niet in staat was tijdig te reageren. De rechtbank vond echter dat deze omstandigheden niet voldoende waren onderbouwd; er was geen bewijs overlegd van de ziekenhuisopname en het was onduidelijk wanneer deze plaatsvond. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat eiser gedurende de gehele beroepstermijn niet in staat was een beroepschrift in te dienen.
Gezien het ontbreken van verschoonbare omstandigheden verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en besloot de zaak zonder inhoudelijke behandeling af te doen. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WW-uitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.