ECLI:NL:RBZWB:2021:6333

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 december 2021
Publicatiedatum
13 december 2021
Zaaknummer
C/02/392217/JE RK 21-2425
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarigen in gespecialiseerd gezinshuis

De zaak betreft twee minderjarigen die sinds november 2019 op vrijwillige basis in pleeggezinnen verblijven en sinds april 2021 in het huidige derde pleeggezin. De ouders oefenen het ouderlijk gezag uit, maar zijn niet in staat passende opvoeding en huisvesting te bieden. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing tot 26 februari 2022.

De kinderrechter oordeelt dat de minderjarigen worden bedreigd in hun ontwikkeling door hun ernstige kindeigen problematiek en het ontbreken van een veilige thuissituatie. De ouders zijn niet beschikbaar of in staat om voor de kinderen te zorgen, mede doordat de vader sinds 3 december 2021 in voorlopige hechtenis verblijft en de moeder kampt met middelengebruik.

De GI en pleegouders bevestigen de noodzaak van professionele hulpverlening en een gespecialiseerde pleegvoorziening, bij voorkeur een gezinshuis waar de kinderen gezamenlijk kunnen verblijven. De kinderrechter verlengt de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad en benadrukt het belang van actieve betrokkenheid van de ouders bij de hulpverlening.

Uitkomst: De voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen worden verlengd tot 26 februari 2022 met gezamenlijke plaatsing in een gespecialiseerd gezinshuis.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/392217 / JE RK 21-2425
Datum uitspraak: 8 december 2021
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, locatie Eindhoven, hierna te noemen: de Raad,
betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[vader] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] ,

STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,

hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:

De heer [pleegouder] en mevrouw [pleegouder] ,

hierna te noemen de pleegouders,
wonende te [woonplaats] .

Het nadere procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van de kinderrechter van 26 november 2021 en alle daarin genoemde stukken.
- de herstelbeschikking van de kinderrechter van 30 november 2021.
Op 8 december 2021 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:
- de vader, (via een telefonische verbinding vanuit de [verblijfplaats] );
- twee vertegenwoordigers van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de pleegouders.
Niet verschenen is:
- de moeder.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds november 2019 op vrijwillige basis in een pleeggezin. Zij verblijven sinds april 2021 in het huidige, derde, pleeggezin.
Bij beschikking van de kinderrechter van 26 november 2021 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden) voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 26 november 2021 en tot 10 december 2021, onder aanhouding van het restant van dit verzoek. Voorts is bij diezelfde beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend (eveneens zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden) met ingang van 26 november 2021 en tot 10 december 2021, eveneens onder aanhouding van het restant van dit verzoek.

Het verzoek

De Raad verzoekt de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van drie maanden. Tevens wordt de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling in een voorziening voor pleegzorg, zulks zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Thans ligt nog ter beoordeling voor het restant van de verzoeken, te weten de voorlopige ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 10 december 2021 tot 26 februari 2022.

De standpunten

De Raad handhaaft zijn verzoek. Het staat vast dat de beide ouders niet beschikbaar zijn voor de kinderen om hen opvoeding en huisvesting te bieden. Hij heeft begrepen dat er nog steeds wordt gezocht naar een nieuwe pleegvoorziening voor de kinderen. Dit moet een in hechting en trauma gespecialiseerde voorziening zijn, gelet op de ernstige kindeigen problematiek voor beide kinderen. Om die reden wordt gekeken naar een gezinshuis in plaats van een pleeggezin.
De GI is het eens met het verzoek van de Raad. De afgelopen periode is het niet mogelijk gebleken de ouders te spreken te krijgen. Ter zitting is gebleken dat de vader sinds 3 december 2021 in voorlopige hechtenis verblijft, zodat het nu pas duidelijk is hoe met hem contact kan worden opgenomen. De GI zal dit op korte termijn doen. Verder benadrukt de GI dat de zoektocht naar een passende voorziening, waar de minderjarigen samen kunnen worden geplaatst, nog niet is afgerond. Het ziet er wel naar uit dat dit gaat lukken op 22 december 2021. De eerste kennismaking van de kinderen met het gezinshuis heeft plaatsgevonden onder begeleiding van de huidige pleegouders. Zowel de leiding van het gezinshuis als de beide minderjarigen hebben dit als positief ervaren. Binnenkort zal een tweede bezoek aan dit gezinshuis worden gebracht.
Zoals vastgesteld in de voorgaande beschikking is voor de huidige situatie hulpverlening tot stand gekomen die voor de komende periode tot 22 december 2021 het pleeggezin deels kan ontlasten, zodat deze situatie vooralsnog houdbaar is.
De pleegouders bevestigen dat de situatie voor dit moment onder controle is. Zij benadrukken dat de kindeigen problemen vragen om een professionele aanpak. Zij maken zich hierover ernstig zorgen.
De vader bevestigt dat hij sinds kort gedetineerd is. Hij wil zo snel mogelijk in vrijheid worden gesteld omdat hij de tegen hem gerezen verdenking ontkent. Hij bevestigt dat hij de stabiele factor aan de zijde van de ouders was. De moeder heeft een probleem met het gebruik van middelen. Hijzelf heeft in het verleden psychische problemen gehad, maar die zijn voorbij. Het bleek dat aan hem medicijnen waren gegeven die niet voor hem bestemd waren. Het is juist dat de situatie tussen hem en met name de pleegmoeder is veranderd sinds afgelopen zomer, zodat die samenwerking niet meer loopt. Hij denkt dat dit wordt veroorzaakt doordat hij in die periode is gaan behoren tot de beweging “ [naam beweging] ”. Sindsdien wordt het leven hem aan alle kanten onmogelijk gemaakt en is hij bijvoorbeeld zijn huis uitgezet. Hij is de eigenaar van die woning en verwacht daarom op korte termijn daar weer te kunnen gaan wonen. De kinderen kunnen dan weer bij hem wonen. Hij acht zichzelf in staat om voor de opvoeding te zorgen en om te gaan met de kindeigen problematiek van zijn kinderen. Hij is ervaringsdeskundige therapeut. Hij zal dan wel graag ambulante hulp krijgen. Mocht de woning niet beschikbaar zijn dan wil hij voorlopig verblijven in het [beoogde verblijfplaats] .
Omdat het door zijn detentie niet zal lukken om op korte de huisvesting te organiseren, kan de vader zich vinden in de verzoeken van de Raad.

De beoordeling

De kinderrechter is, mede gelet op hetgeen in de beschikking van 26 november 2021 is overwogen, met alle betrokkenen van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden bedreigd in hun ontwikkeling. De ernst van hun kindeigen problematiek staat voldoende vast, terwijl de ouders niet in staat zijn hen een passende en veilige huisvesting en opvoeding te bieden. Op die grond wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.
De kinderrechter stelt daarmee vast dat geen aanleiding bestaat de voorgaande beschikking van 26 november 2021 te herzien. Hij zal de maatregelen bovendien voor het restant van de verzoeken verlengen, te weten tot 26 februari 2022. Deze periode van de voorlopige ondertoezichtstelling moet door de GI in ieder geval worden benut om helder te krijgen welke rol ieder van de ouders eventueel kan spelen in het vervolg en of daarvoor aanvullende maatregelen nodig zijn. De kinderrechter zal daarbij bepalen dat de minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg worden geplaatst zonder deze nader te specificeren, zodat de GI de overgang van het huidige pleeggezin naar de komende voorziening, vermoedelijk een gezinshuis, op die basis kan realiseren. De kinderrechter stemt in met het voornemen van de GI dat de minderjarigen gezamenlijk binnen één voorziening zullen worden geplaatst en zal dit ook in het dictum bepalen.
De kinderrechter hecht er aan waardering uit te spreken voor de inzet van zowel de vader als de pleegouders om in het belang van de beide minderjarigen deze nieuwe stappen mogelijk te maken. Het is van belang dat deze inzet de komende tijd wordt vastgehouden. Hij roept beide ouders ook op om actief contact te zoeken met de GI.
Gelet op de vereiste voortzetting van de bevolen maatregelen zal de beschikking uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

De beslissing

De kinderrechter:
Verlengt de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 10 december 2021 en tot 26 februari 2022;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gezamenlijk in één voorziening voor pleegzorg danwel jeugdhulp (gezinshuis) met ingang van 10 december 2021 en tot 26 februari 2022;
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2021 door mr. B.J. Duinhof, kinderrechter, in tegenwoordigheid van E.C. Cornelisse, als griffier.
Deze beslissing is schriftelijk vastgesteld op 10 december 2021.