Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was in detentie van juli 2018 tot januari 2019 en ontving een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor 2017 met een belastbaar inkomen van €24.969, inclusief een verzuimboete en belastingrente. Het bezwaar werd ingediend na de wettelijke termijn van zes weken, namelijk op 7 februari 2020, terwijl de termijn op 23 januari 2019 afliep.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslag correct is verzonden naar het juiste adres van belanghebbende, ondanks diens detentie. Detentie zonder bijkomende omstandigheden rechtvaardigt geen verschoonbare termijnoverschrijding. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering is eveneens niet-ontvankelijk omdat eerst bezwaar moet worden gemaakt. De rechtbank draagt de inspecteur op het beroepschrift als bezwaarschrift in behandeling te nemen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard en het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering is niet-ontvankelijk.