ECLI:NL:RBZWB:2021:6459

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 december 2021
Publicatiedatum
17 december 2021
Zaaknummer
BRE-21_3393
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:41, zevende lid, AwbArt. 8:55, derde lid, AwbArt. 8:106, eerste lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding bij intrekking beroep parkeerbelasting naheffingsaanslag

Belanghebbende heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van proceskosten. Dit verzoek betreft de intrekking van het beroep tegen de kostenvergoeding in bezwaar inzake een naheffingsaanslag parkeerbelasting.

De rechtbank stelt de vergoeding voor beroepsmatige bijstand in de beroepsfase vast op €267, met een wegingsfactor van 0,5, conform het richtsnoer proceskostenvergoeding van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 november 2021. Deze vergoeding wordt toegekend naast de reeds overeengekomen kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Daarnaast heeft belanghebbende €49 aan griffierecht betaald. De wet biedt echter geen mogelijkheid om de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van griffierecht in deze procedures, maar de heffingsambtenaar dient dit uit zichzelf te doen volgens artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.

De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van €267 aan proceskosten aan belanghebbende. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier N. Plasman op 17 december 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot betaling van €267 aan proceskosten aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 21/3393
uitspraak van 17 december 2021
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a in verbinding met artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende,
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg,

de heffingsambtenaar.

Betreft

Het verzoek van belanghebbende op grond van artikel 8:75a van de Awb om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten.

Motivering

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van proceskosten in verband met de intrekking van het beroep tegen de kostenvergoeding in bezwaar betreffende de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] .
De rechtbank stelt de vergoeding voor beroepsmatige bijstand in de beroepsfase vast op € 267 [1] . De wegingsfactor is bepaald op 0,5 gelet op het voorwerp van het beroep en het richtsnoer proceskostenvergoeding van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 november 2021 [2] . De rechtbank ziet geen aanleiding daarvan af te wijken. Opmerking verdient dat deze kostenvergoeding voor de beroepsfase wordt toegekend naast de kostenvergoeding voor de bezwaarfase waar partijen overeenstemming over hebben bereikt.
Belanghebbende heeft € 49,00 aan griffierecht betaald. De wet biedt niet de mogelijkheid om in deze procedures de heffingsambtenaar te veroordelen tot het vergoeden van griffierecht. De heffingsambtenaar moet dat echter wel uit zichzelf doen (artikel 8:41, zevende lid, van de Awb).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende van € 267.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 17 december 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 8:55, derde lid en artikel 8:106, eerste lid Awb).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.1 punt voor het beroepschrift met een wegingsfactor 0,5