Eiser, voormalig productiemedewerker, viel in mei 2016 uit wegens medische klachten en ontving aanvankelijk een WIA-uitkering die werd afgewezen. Na ziekte en een operatie kreeg hij een Ziektewet-uitkering toegekend vanaf januari 2019. Het UWV beëindigde deze uitkering per 4 november 2019 op basis van medische beoordelingen die stelden dat eiser geschikt was voor administratief werk als maatstaf.
De rechtbank beoordeelde of het UWV op goede gronden de uitkering had beëindigd. Medische rapportages van artsen en verzekeringsartsen concludeerden dat de lichamelijke en psychische klachten van eiser niet zodanig waren toegenomen dat hij ongeschikt was voor de geduide functie. Eiser voerde aan dat zijn klachten en medicatiegebruik onvoldoende waren meegewogen, maar de rechtbank vond dat deze klachten reeds bekend waren en niet objectief waren toegenomen op de datum in geding.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de maatgevende functie passend was. Er was geen reden om een urenbeperking toe te kennen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, zonder proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.