Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 8 december 2021 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het voorhanden hebben van stoffen en goederen bestemd voor de productie van synthetische drugs en cocaïne in een gehuurd bedrijfspand.
De officier van justitie stelde dat verdachte wetenschap moest hebben gehad van de aanwezige materialen, mede vanwege de zichtbaarheid van de spullen, de aanwezigheid van cocaïneresten op gebruiksvoorwerpen en de communicatie via een iPhone die in het pand en bij verdachte werd aangetroffen. Ook werd gewezen op de hoge huurprijs die niet zou passen bij de opgegeven bedrijfsactiviteiten.
De verdediging voerde aan dat veel materialen ook legitiem gebruikt konden worden, dat sommige spullen in afgesloten ruimtes stonden, dat een oom van verdachte met eigen sleutel vaak aanwezig was en dat de iPhone mogelijk niet van verdachte was. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om wetenschap van verdachte aan te nemen, mede door het ontbreken van onderzoek naar de oom en de onduidelijkheid over de iPhone. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van wetenschap van de aanwezigheid van harddrugsproductiematerialen in het gehuurde pand.