De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 21 december 2021 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen een minderjarige verdachte die samen met anderen op 6 mei 2021 opzettelijk brand heeft gesticht in een verlaten bedrijfspand te Goes. Door het aansteken van papier en het toevoegen van brandbare materialen is het pand volledig afgebrand, met gevaar voor goederen en aanzienlijke schade als gevolg.
De verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd en de verdediging voerde geen verweer tegen de bewezenverklaring. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte medepleegde aan de brandstichting, maar sprak hem vrij van overige tenlasteleggingen. Er zijn geen omstandigheden die strafuitsluiting rechtvaardigen.
Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een vastgestelde stoornis binnen het autismespectrum, zijn impulsiviteit, beïnvloedbaarheid en het ontbreken van eerdere veroordelingen, afgezien van een strafbeschikking voor openbare dronkenschap. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde bijzondere voorwaarden gericht op begeleiding, behandeling en dagbesteding, en toezicht door de jeugdreclassering.
De rechtbank legde een jeugddetentie van 34 dagen op, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met bijzondere voorwaarden gericht op het meewerken aan hulpverlening en het behouden van zinvolle dagbesteding. De onvoorwaardelijke dagen zijn reeds doorgebracht in voorarrest. De straf is geheel voorwaardelijk opgelegd gelet op de ernst van het feit, de persoonlijke problematiek van verdachte en zijn positieve ontwikkeling onder schorsingsvoorwaarden.