ECLI:NL:RBZWB:2021:6497
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde tussenwoning met garage en tuin in bezwaarprocedure
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning met garage, berging en tuin op een perceel van circa 165 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2020 vast op €221.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde. De waardepeildatum is 1 januari 2019.
De rechtbank toetst de vastgestelde WOZ-waarde aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde wordt bepaald door vergelijking met verkoopprijzen van vergelijkbare woningen rond de waardepeildatum. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport van 4 februari 2021, waarin drie vergelijkingsobjecten werden gebruikt die qua bouwjaar, woonoppervlakte en perceeloppervlakte voldoende vergelijkbaar zijn.
Belanghebbende stelde dat de WOZ-waarde te hoog was en dat onvoldoende rekening was gehouden met de gedateerde staat van de woning, maar onderbouwde dit niet met bewijs. De rechtbank oordeelt dat de taxateur de verschillen tussen de woningen adequaat heeft verwerkt en dat de heffingsambtenaar de bewijslast heeft voldaan. De door belanghebbende ingebrachte matrix was onvoldoende onderbouwd en bevatte geen fotomateriaal ter ondersteuning.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter C.A.F. van Ginneken op 14 december 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €221.000 wordt ongegrond verklaard.