Belanghebbende betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van haar vrijstaande woning, die is vastgesteld op €1.190.000 voor het kalenderjaar 2020. Zij stelt dat de waarde maximaal €1.045.000 zou moeten zijn vanwege een waardedrukkend effect van een bestemmingsplanwijziging op een aangrenzend bosperceel, waarbij bomen worden gekapt voor woningbouw.
De rechtbank stelt vast dat de waarde wordt bepaald via de vergelijkingsmethode, waarbij de aankoopprijs van belanghebbende als meest geschikte vergelijkingsobject wordt beschouwd. De heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat het principebesluit uit 2015 openbaar bekend was, maar de rechtbank oordeelt dat belanghebbende uit de akte van levering had kunnen afleiden dat bouwmogelijkheden op het aangrenzende perceel bestonden.
Omdat belanghebbende bij aankoop op de hoogte was of had kunnen zijn van deze bouwmogelijkheden, moeten deze omstandigheden worden verdisconteerd in de aankoopprijs en dus in de WOZ-waarde. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de vastgestelde WOZ-waarde van €1.190.000. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.