ECLI:NL:RBZWB:2021:6504

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 december 2021
Publicatiedatum
21 december 2021
Zaaknummer
C/02/391552 / JE RK 21-2299
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 1:3 AwbArtikel 4.1.3 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot bekrachtiging schriftelijke aanwijzing door gecertificeerde instelling

De zaak betreft een verzoek van Stichting Jeugdbescherming Brabant tot bekrachtiging van een schriftelijke aanwijzing aan de vader van een minderjarige, betreffende de verzorging en opvoeding van het kind. De ouders hebben gezamenlijk het gezag, maar het kind woont bij de moeder. De ondertoezichtstelling van de minderjarige is meerdere malen verlengd.

De gecertificeerde instelling gaf op 21 oktober 2021 een schriftelijke aanwijzing aan de vader, maar de kinderrechter constateert dat deze brief geen concrete aanwijzingen bevatte. Hierdoor ontbreekt het aan een op rechtsgevolg gericht schrijven, waardoor de aanwijzing niet als zodanig kan worden aangemerkt.

De vader heeft tijdens de zitting aangevoerd dat de gezinsvoogd niet bevoegd zou zijn omdat deze niet SKJ-geregistreerd is. De GI heeft erkend dat de tekst van de aanwijzing incompleet was, maar stelde dat het doel van de brief voor de vader duidelijk had moeten zijn. De kinderrechter oordeelt dat dit onvoldoende is om de aanwijzing te bekrachtigen.

Op grond van artikel 1:263 BW Pro kan de GI schriftelijke aanwijzingen geven en deze door de rechter laten bekrachtigen, mits de aanwijzing concreet is. Omdat dat hier niet het geval is, wijst de kinderrechter het verzoek af. De beschikking is op 10 december 2021 mondeling gegeven en op 22 december 2021 schriftelijk vastgesteld.

Uitkomst: Het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing wordt afgewezen omdat de brief geen concrete aanwijzingen bevatte.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/391552 / JE RK 21-2299
Datum uitspraak: 10 december 2021

Beschikking bekrachtiging schriftelijke aanwijzing

in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Roosendaal hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Roosendaal,
betreffende
[minderjarige], geboren op 18 november 2013 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vrouw] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

[de man] hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] ,

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek met bijlage(n) van de GI van 5 november 2021, ingekomen bij de griffie op 8 november 2021;
- het emailbericht met bijlage van de GI van 8 december 2021.
Op 10 december 2021 heeft de kinderrechter de zaak mondeling - met gesloten deuren - behandeld.
Gehoord zijn:
- de moeder,
- de vader,
- een vertegenwoordigster van de GI.

De feiten

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
Bij beschikking van de kinderrechter van 2 september 2020 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van Briedis Jeugdbeschermers, met ingang van 2 september 2020 en tot 2 januari 2021. Het resterende deel van het verzoek is toen aangehouden. Daarna is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] drie keer verlengd geweest, telkens onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
Bij beschikking van de kinderrechter van 1 september 2021 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd, met ingang van 2 september 2021 en tot 2 juni 2022.
Bij beschikking van de kinderrechter van 18 juni 2021 is de gecertificeerde instelling Briedis Jeugdbeschermers vervangen door de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant.
De GI heeft de vader op 21 oktober 2021 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen.
“(..)
Besluit:
De GI geeft u de volgende aanwijzing(en):
Indien u besluit zich niet aan deze aanwijzing(en) te houden, zijn wij genoodzaakt
Op grond van artikel 1:263 lid 3 BW Pro kan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant aan de kinderrechter verzoeken deze schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Tegelijkertijd kan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant aan de kinderrechter verzoeken een door de wet toegelaten dwangmiddel (dwangsom of lijfsdwang) op te leggen”.

Het verzoek

De GI heeft bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 21 oktober 2021 verzocht.

De standpunten

De GI merkt tijdens de mondelinge behandeling op dat is getracht na de verlenging van de ondertoezichtstelling de vader tegemoet te komen in zijn wens om een ruimere omgangsregeling te treffen. De vader heeft het voorstel daartoe echter niet aanvaard en komt de door het gerechtshof vastgestelde regeling niet na. Om die reden is besloten een schriftelijke aanwijzing te geven. Het was de GI niet opgevallen dat de tekst incompleet was. Gelet op de verzonden aankondiging moest het doel van de aanschrijving voor de vader wel duidelijk zijn.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de gezinsvoogd volgens hem niet SKJ-geregistreerd is en daarmee niet bevoegd is om gezinsvoogd te zijn. Hij is niet ingegaan op de schriftelijke aanwijzing of op een door hem gewenste omgangsregeling.

De beoordeling

Ingevolge artikel 1:263, eerste lid, BW kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel volgen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op. Ingevolge het derde lid van voornoemd artikel kan de GI de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.
De schriftelijke aanwijzing van de GI wordt aangemerkt als een beslissing als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De kinderrechter stelt vast dat in de als schriftelijke aanwijzing verzonden brief geen enkele aanwijzing aan de vader is neergelegd. Er is dan ook geen sprake van een op enig
(rechts-)gevolg gericht schrijven van de GI aan de vader. Daarmee is van een schriftelijke aanwijzing geen sprake en kan geen bekrachtiging worden uitgesproken. Daaraan doet niet af dat het de vader op basis van de aankondiging van een schriftelijke aanwijzing mogelijk duidelijk geweest zou kunnen zijn wat de GI wellicht met de als schriftelijke aanwijzing verzonden brief zou kunnen bedoelen.
Op grond van het bovenstaande zal de kinderrechter het verzoek tot bekrachtiging van een schriftelijke aanwijzing afwijzen.

De beslissing:

De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2021 door mr. B.J. Duinhof, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D.I.E. van Dijke.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 22 december 2021.
EvD.