Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2021:6539

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 december 2021
Publicatiedatum
21 december 2021
Zaaknummer
AWB- 21_5283 VV en AWB- 21_5285 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:52 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbAfdeling 8.2.3 AwbActiviteitenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen handhavingsbesluit staalverwerkingsbedrijf

Verzoekers, wonend nabij een staalverwerkingsbedrijf, stelden dat het bedrijf activiteiten ontplooit die in strijd zijn met het bestemmingsplan en dat het sinds 2017 ernstige geluidsoverlast veroorzaakt. Zij verzochten de gemeente Noord Beveland handhavend op te treden, maar ontvingen geen tijdige beslissing op hun bezwaren tegen het weigeren van handhaving. Daarom stelden zij beroep in tegen het niet tijdig beslissen en verzochten zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de bedrijfsactiviteiten in de open lucht stil te leggen.

De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening bedoeld is om in afwachting van de hoofdzaak een tijdelijke maatregel te treffen, waarbij spoedeisendheid een belangrijke rol speelt. Hoewel geluidsoverlast een spoedeisend belang kan zijn, is het stilleggen van bedrijfsactiviteiten een te vergaande maatregel die niet past bij een voorlopige voorziening. De gemeente had reeds maatregelen aangekondigd en er was een advies van de bezwaarschriftencommissie om nader onderzoek te doen.

Verzoekers konden hun gezondheidsklachten niet onderbouwen met medische rapportages, waardoor niet aannemelijk was dat zij de uitkomst van de bodemprocedure niet konden afwachten. De gevraagde voorziening zou de rechtsbescherming van het bedrijf doorkruisen zonder zwaarwegende belangen. Daarom werd het verzoek afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot stillegging van de bedrijfsactiviteiten wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisendheid en onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 21/5283 GEMWT VV en 21/5285 GEMWT VV

uitspraak van 21 december 2021 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[namen verzoekers], te [woonplaats verzoekers], verzoekers,
gemachtigde: mr. M.C. Jonkman
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noord Beveland, verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben op 2 december 2021 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaren tegen het weigeren om handhavend op te treden tegen het staalverwerkingsbedrijf [naam bedrijf] aan [adres bedrijf] te [vestigingsplaats bedrijf].
Dit beroep zal door de rechtbank met toepassing van artikel 8:52 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) versneld worden behandeld.
Op 2 december 2021 hebben verzoekers tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Verzoekers wonen in de nabijheid van het staalverwerkingsbedrijf. Zij hebben aangevoerd dat het bedrijf activiteiten ontplooit in strijd met het bestemmingsplan “[naam bestemmingsplan]”. Dit bestemmingsplan laat maximaal bedrijven van categorie 3.2 toe en [naam bedrijf] moet worden aangemerkt als een categorie 4.2 bedrijf, aldus verzoekers. Zij hebben gesteld dat [naam bedrijf] sedert 2017 steeds ernstiger geluidsoverlast veroorzaakt en hebben op 15 juli 2020 resp. 26 juli 2020 aan verweerder verzocht om hiertegen handhavend op te treden.
Bij afzonderlijke besluiten van 8 april 2021 heeft verweerder de handhavingsverzoeken gehonoreerd voor wat betreft het radiogeluid, zonder daar overigens een last onder dwangsom aan te verbinden. Voor het overige heeft verweerder de RUD verzocht maatwerkvoorschriften op te stellen in het kader van het Activiteitenbesluit, aan de hand van het ingediende en aan te vullen akoestisch onderzoek.
Tegen deze besluiten hebben verzoekers een bezwaarschrift ingediend.
Omdat een besluit op hun bezwaren uitbleef hebben verzoekers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaren. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om verweerder te gelasten om binnen twee weken na verzending van de uitspraak bij wijze van (spoed) bestuursdwang de bedrijfsvoering van [naam bedrijf] te doen staken voor wat betreft de bedrijfsactiviteiten in de open lucht (de staalcaroussel en het rijden met heftrucs over het terrein) en de activiteiten met open loodsen.
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.1
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorziening-procedure als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Voorts speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol. Nu bij de rechtbank beroep aanhangig is tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren van verzoekers, dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van een uitspraak op het beroep van verzoekers. Er dient derhalve sprake te zijn van een zelfstandige spoedeisendheid bij een te treffen voorlopige voorziening en het moet niet alleen gaan om bespoediging van de afdoening van het beroep.
3.2
De voorzieningenrechter overweegt dat het voorkomen van geluidsoverlast voor verzoekers een zelfstandig spoedeisend belang kan zijn. Maar het daartoe treffen van de gevraagde voorzieningen is een te vergaande maatregel die niet past bij het karakter van de voorlopige voorziening-procedure. Het stilleggen van (een gedeelte van) de bedrijfsvoering van [naam bedrijf] is immers bijzonder vergaand.
Daarbij is van belang dat verweerder in de primaire besluiten van 8 april 2021 heeft aangekondigd dat maatwerkvoorschriften worden opgesteld en dat op voorhand niet gesteld kan worden dat daarmee in onvoldoende mate wordt tegemoetgekomen aan de door verzoekers ondervonden geluidsoverlast. Verder is relevant dat de bezwaarschriftencommissie op 8 juli 2021 heeft geconstateerd dat het college niet, althans onvoldoende heeft onderzocht of er overtredingen plaatsvinden. De commissie heeft geadviseerd om (nader) akoestisch onderzoek te doen naar het bedrijfsgeluid en de resultaten te toetsen aan het Activiteitenbesluit en naar de mogelijkheden voor een geluidscherm, en voorts om na te gaan of de activiteiten van [naam bedrijf] passend zijn binnen het vigerende bestemmingsplan.
Ten slotte is van belang dat, zoals hiervoor in het procesverloop is vermeld, de rechtbank al heeft besloten om het beroep van verzoekers versneld te behandelen omdat het spoedeisend is. Deze procedure is geregeld in afdeling 8.2.3 van de Awb en houdt in dat een aantal termijnen korter zijn dan bij een gewone behandeling van het beroep. Doorgaans betekent dit dat de rechtbank binnen acht weken uitspraak doet.
3.3
Verzoekers hebben desgevraagd telefonisch toegelicht dat de uitspraak van de rechtbank niet inhoudt dat er ook meteen een beslissing op de bezwaren genomen wordt. Naar zij hebben gesteld is de geluidsoverlast zeer ernstig en ervaren zij daardoor dermate psychische klachten dat het treffen van de gevraagde voorziening is aangewezen.
3.4
De voorzieningenrechter overweegt dat het treffen van de gevraagde voorziening de in de Awb geregelde rechtsbescherming van [naam bedrijf] zou doorkruisen. Daarvoor zou niettemin aanleiding kunnen zijn indien zwaarwegende belangen daartoe zouden nopen. Verzoekers hebben hun gezondheidsklachten echter niet onderbouwd met bijvoorbeeld een medische rapportage. Daarmee is ook niet aannemelijk gemaakt dat verzoekers dermate gezondheidsrisico’s lopen dat zij de uitkomst van de bodemprocedure niet kunnen afwachten.
4. Dit leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Gelet hierop is er geen grond voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 21 december 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
P.H.M. Verdonschot, griffier L.P. Hertsig, voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.