ECLI:NL:RBZWB:2021:6569
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen toekenning WIA-uitkering met ingang van 10 augustus 2019
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het UWV-besluit van 18 augustus 2020 waarin aan haar werkneemster een WIA-uitkering werd toegekend met ingang van 10 augustus 2019. Eiseres betwist dat de uitkering niet per 10 augustus 2018, het einde van de wachttijd, had moeten ingaan en stelt dat het UWV de wachttijd onterecht niet heeft verlengd of dit niet correct heeft gecommuniceerd.
De rechtbank overweegt dat het UWV een loonsanctie aan eiseres heeft opgelegd vanwege niet-naleving van re-integratieverplichtingen, welke loonsanctie de wachttijd verlengde tot 10 augustus 2019. Deze sanctie staat in rechte vast en vormt een uitsluitingsgrond voor het recht op WIA-uitkering tot die datum. Het UWV heeft de uitkering daarom terecht vanaf 10 augustus 2019 toegekend.
Eiseres kan geen beroep doen op het vertrouwensbeginsel omdat geen ondubbelzinnige toezegging is gedaan dat de uitkering per 10 augustus 2018 zou ingaan. Ook kan in deze procedure niet worden geoordeeld over de juistheid van het loonsanctiebesluit zelf. Het verzoek tot schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheid wordt afgewezen omdat het verband met het loonsanctiebesluit ontbreekt.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek tot proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het UWV-besluit tot toekenning van de WIA-uitkering met ingang van 10 augustus 2019 wordt ongegrond verklaard.