ECLI:NL:RBZWB:2021:6571

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 december 2021
Publicatiedatum
22 december 2021
Zaaknummer
AWB- 21_1154
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling gemeente Breda tot vergoeding proceskosten na intrekking dwangsominvordering

Verzoekers hadden bezwaar gemaakt tegen het besluit van de gemeente Breda om een verbeurde dwangsom te innen wegens het niet beëindigen van het met het Bouwbesluit strijdige gebruik van een wooneenheid voor kamergewijze verhuur. Na het ongegrond verklaren van het bezwaar stelde verzoekers beroep in tegen dit besluit.

De gemeente trok het bestreden besluit op 5 augustus 2021 in, omdat niet onomstotelijk vaststond dat de overtreding na afloop van de begunstigingstermijn nog bestond. Naar aanleiding hiervan trokken verzoekers hun beroep in en verzochten om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat de gemeente aan het beroep tegemoet was gekomen en dat het verzoek tot proceskostenvergoeding kennelijk gegrond was. De rechtbank veroordeelde de gemeente tot vergoeding van € 1.282,- aan proceskosten voor rechtsbijstand en wees erop dat het griffierecht van € 181,- door de gemeente vergoed moet worden.

De uitspraak werd gedaan door rechter L.P. Hertsig op 21 december 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gemeente Breda tot vergoeding van € 1.282,- aan proceskosten na intrekking van het dwangsominvorderingsbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/1154

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2021 in de zaak tussen

[naam verzoekers], te Rotterdam en
( [naam verzoekers] )te [naam woonplaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. A.M. Roepel),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 25 februari 2020 (primair besluit) heeft verweerder besloten om over te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsom inzake het pand [adres] . Na afloop van de begunstigingstermijn was niet voldaan aan de op 9 april 2019 opgelegde last onder dwangsom om het met het Bouwbesluit strijdige gebruik van één wooneenheid (kamer) ten behoeve van kamergewijze verhuur te beëindigen.
In het besluit van 28 januari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard.
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 5 augustus 2021 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken, omdat niet onomstotelijk vaststaat dat na afloop van de begunstigingstermijn de overtreding nog bestond.
Naar aanleiding hiervan hebben verzoekers het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld zich te kunnen vinden in de gevraagde proceskostenvergoeding.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekers.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.282,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 534,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748,-, met een wegingsfactor 1).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht van € 181,- te vergoeden. Verzoekers zullen zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.282,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig , rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 21 december 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.