ECLI:NL:RBZWB:2021:658

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 februari 2021
Publicatiedatum
18 februari 2021
Zaaknummer
AWB- 20_973
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Activiteitenbesluit milieubeheerArt. 4:8 AwbArt. 5:37 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing invordering dwangsommen milieuovertredingen autopoetsbedrijf

Eiser exploiteert een autopoetsbedrijf en kreeg van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal dwangsommen opgelegd wegens het lozen van afvalwater met een te lage pH-waarde, in strijd met maatwerkvoorschrift 3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Na meerdere overtredingen heeft het college de verbeurde dwangsommen van in totaal €7.500,- ingevorderd. Eiser maakte bezwaar tegen deze invordering, stellende dat hij niet gehoord was en dat de hoogte van de dwangsommen disproportioneel was.

De rechtbank oordeelt dat het college wel degelijk aan de hoor- en zienswijzeplicht had voldaan door eiser in brieven te informeren en gelegenheid te bieden zijn zienswijze te geven. Tevens is vastgesteld dat de overtredingen daadwerkelijk plaatsvonden en dat eiser tegen het oorspronkelijke dwangsombesluit geen bezwaar had gemaakt, waardoor de hoogte van de dwangsommen niet meer ter discussie staat.

Eiser voerde aan dat hij inmiddels maatregelen had getroffen, zoals aanschaf van een pH-meter en automatische monitoring, maar de rechtbank vindt dat dit geen bijzondere omstandigheden oplevert om van invordering af te zien, zeker gezien de lange periode waarin de overtredingen plaatsvonden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de aangehaalde casus in een andere gemeente speelt en onvoldoende vergelijkbaar is.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het college in haar besluit tot invordering van de dwangsommen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de invordering van de verbeurde dwangsommen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/973 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal,verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 4 april 2019 (primair besluit 1) en 25 juni 2019 (primair besluit 2) heeft het college verbeurde dwangsommen van € 3.750,= ingevorderd.
In het besluit van 2 januari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 5 januari 2021.
Hierbij waren aanwezig eiser, en namens het college mr. D. van Broekhoven, [aanwezige college] en mr. Y. Bons.

Overwegingen

1.1.
Eiser exploiteert een autopoetsbedrijf in [plaatsnaam] .
Op 4 januari 2016 heeft het college op grond van artikel 2.1, vierde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit) met betrekking tot het milieuaspect ‘afvalwater’ een vijftal maatwerkvoorschriften voor de inrichting opgelegd. Maatwerkvoorschrift 3 luidt als volgt:
Afvalwater waarvan:
de concentratie aan chloride in enig steekmonster hoger is dan 400 mg/l (bepaald volgens NEN 6470),
de concentratie aan sulfaat in enig steekmonster hoger is dan 300 mg/l (bepaald volgens NEN 6487),
het gehalte aan onopgeloste bestanddelen in enig steekmonster hoger is dan 50 mg/l (bepaald volgens NEN 6621),
e zuurgraad in enig steekmonster, uitgedrukt in pH-eenheden hoger is dan 10 of lager is dan 6,5 (bepaald volgens NEN 6411),
de temperatuur in enig steekmonster hoger is dan 30 °C,
mag niet in het openbaar riool worden geloosd.
1.2.
Op 20 maart 2017 is een afvalwatercontrole uitgevoerd. Tijdens het controlebezoek is gebleken dat afvalwater werd geloosd met een zuurgraad van 4,0. Bij besluit van 10 mei 2017 is aan eiser een last onder dwangsom opgelegd ter naleving van de verplichtingen uit maatwerkvoorschrift 3. Eiser is tot en met 1 juli 2017 in de gelegenheid gesteld om alle noodzakelijke maatregelen te nemen ter voorkoming van nieuwe overtreding van het desbetreffende maatwerkvoorschrift. Het college heeft daarbij aangegeven dat na deze begunstigingstermijn per geconstateerde overtreding een dwangsom van € 3.750,= wordt verbeurd, met een maximum van € 11.250,=.
Tegen het besluit van 10 mei 2017 is geen bezwaar gemaakt.
1.3.
Na verloop van de begunstigingstermijn zijn op verschillende momenten controles verricht in de inrichting van eiser, waarbij bemonsteringen van het afvalwater zijn uitgevoerd.
Op 23 mei 2018 is op het moment van lozing een zuurgraad gemeten van 5,2. Het college heeft eiser op 31 augustus 2018 bericht dat in mei niet aan de gestelde parameters werd voldaan en dat eiser daardoor een dwangsom van € 3.750,= heeft verbeurd.
Op 24 oktober 2018 is op het moment van lozing een zuurgraad gemeten van 6,3. Het college heeft eiser op 23 januari 2019 bericht dat op dat moment niet aan de opgelegde last heeft voldaan en dat eiser daardoor een dwangsom van € 3.750,= heeft verbeurd.
Op 12 februari 2019 is op het moment van lozing een zuurgraad gemeten van 10,7. Het college heeft eiser op 17 april 2019 bericht dat eiser zich op dat moment niet aan de opgelegde last heeft gehouden en dat hij daardoor een dwangsom van € 3.750,= heeft verbeurd.
1.4.
Bij de primaire besluiten heeft het college de tweede en de derde verbeurde dwangsom van € 3.750,= ingevorderd.
Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Het college heeft daarbij het primaire besluit in stand gelaten.
Omvang geding
2. In geschil is of het college terecht heeft besloten tot invordering van de verbeurde dwangsommen.
Beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat het college heeft nagelaten om hem te horen, alvorens tot invordering over te gaan.
Eiser verzoekt het college voorts om van verdere invorderingsmaatregelen af te zien. Hij heeft in dat verband toegelicht dat hij inmiddels een Ph-meter heeft aangeschaft, waarmee hij reeds vanaf 30 oktober 2019 drie maal daags het water in de put test. Daarnaast is hij doende om automatische monitoring te installeren, zodat de meting en zuurgraadcorrectie niet meer handmatig hoeft te geschieden. Eiser wijst op een kwestie in de gemeente Bergen op Zoom, waarbij het college ook van verdere invordering heeft afgezien.
Ook vindt eiser de hoogte van de dwangsom onvoldoende toegelicht. Eiser vindt een dwangsom van € 3.750,= per geconstateerde overtreding onevenredig hoog.
Hoorplicht
4. In artikel 4:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, het die belanghebbende in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen indien:
de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en
die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.
5. Het college heeft in het verweerschrift erop gewezen dat eiser in de brieven van 23 januari 2019 en 18 april 2019 erop is gewezen dat hij een tweede respectievelijk derde dwangsom heeft verbeurd van € 3.750,= en dat hij in die brieven in de gelegenheid is gesteld om daarover zijn zienswijze naar voren te brengen. De rechtbank stelt vast dat in de zienswijzenclausule onder de brieven ook verwezen naar artikel 4:8 van Pro de Awb.
De rechtbank is van oordeel dat het college eiser daarmee in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord en dat het heeft voldaan aan artikel 4:8 van Pro de Awb.
Invordering
6. Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.
Bij een besluit over de invordering van een verbeurde dwangsom, moet volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2198), aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
7. Vast staat dat eiser tegen het dwangsombesluit van 10 mei 2017 geen bezwaar heeft gemaakt. Dat betekent dat dit besluit rechtens onaantastbaar is.
De hoogte van de vastgestelde dwangsom is in het besluit van 10 mei 2017 vastgesteld. Eiser kan met zijn beroep tegen invorderingsbesluiten niet meer de hoogte van de vastgestelde dwangsommen ter discussie stellen. Als hij vond dat de hoogte van de dwangsommen (€ 3.750,= per constatering) onjuist was vastgesteld, disproportioneel was, of onvoldoende was toegelicht, dan had het op zijn weg gelegen om bezwaar te maken tegen het besluit van 10 mei 2017. Omdat eiser dat niet heeft gedaan, dient van de juistheid van de vastgestelde hoogte van de dwangsommen te worden uitgegaan.
8. Door eiser wordt niet betwist dat hij op 24 oktober 2018 en 12 februari 2019 niet aan Maatwerkvoorschrift 3 heeft voldaan. De door de toezichthouder op die dagen gemeten zuurgraad van 6,3 respectievelijk 10,7 wordt ook niet betwist.
Dat betekent dat er op die dagen van rechtswege twee dwangsommen van € 3.750,= zijn verbeurd. Het college moet bevoegd worden geacht om die dwangsommen in te vorderen.
9. Vervolgens is het de vraag of er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien.
Van dergelijke bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.
Eiser heeft aangevoerd dat hij inmiddels heeft geïnvesteerd in een Ph-meter en in automatische monitoring en dat hij sinds 30 oktober 2019 drie keer per dag het afvalwater test. Daarover heeft het college in het verweerschrift in redelijkheid opgemerkt dat het daarin geen reden ziet om geheel of gedeeltelijk van invordering af te zien. De rechtbank overweegt in dat verband dat het overtreden maatwerkvoorschrift op 4 januari 2016 is opgelegd en dat de last onder dwangsom al op 10 mei 2017 aan eiser is opgelegd. Volgens eigen zeggen, voldoet eiser inmiddels aan het maatwerkvoorschrift, maar het college heeft naar het oordeel van de rechtbank eiser mogen tegenwerpen dat hij dat al veel eerder had kunnen doen.
Eiser heeft nog gewezen op een kwestie in Bergen op Zoom waarin het college ook van invordering zou hebben afgezien. De rechtbank leest daarin een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eiser heeft echter niet concreet gemaakt welke kwestie dat dan zou betreffen en heeft niet onderbouwd in hoeverre dat een vergelijkbare situatie zou zijn. Reeds daarom kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de genoemde kwestie blijkbaar in een andere gemeente (en dus bij een ander bestuursorgaan) heeft gespeeld en dat reeds daarom al niet van gelijke gevallen kan worden gesproken.
10. Het beroep is ongegrond.
Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 15 februari 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
rechter
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.