Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017. Tegen deze aanslag diende belanghebbende een bezwaarschrift in met dagtekening 6 januari 2020, dat echter pas op 17 februari 2020 door de inspecteur werd ontvangen. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke termijn van zes weken en kwalificeerde het bezwaar als een verzoek om ambtshalve vermindering, waar niet aan werd voldaan.
Belanghebbende stelde dat het bezwaar tijdig was ingediend omdat het gelijktijdig met een ander bezwaar per post was verzonden en verwees naar de ontvangstbevestiging van dat andere bezwaar. De rechtbank oordeelde echter dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het bezwaarschrift voor de omzetbelasting tijdig was verzonden, bijvoorbeeld door een verzendbewijs. De verwijzing tussen de bezwaarschriften en gelijke datum was onvoldoende bewijs.
De rechtbank benadrukte dat de bezwaartermijn van zes weken van dwingend recht is en dat overschrijding slechts kan worden verontschuldigd indien sprake is van verschoonbaarheid, wat niet was aangetoond. De inspecteur had belanghebbende wel de gelegenheid gegeven om het bezwaar nader te motiveren, maar dit betekende niet dat het bezwaar ontvankelijk was. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling af.