Belanghebbende en zijn fiscaal partner waren in 2011 elkaars partners voor de inkomstenbelasting. Aan de partner werd een definitieve aanslag opgelegd, waarna belanghebbende een uitbetaling ontving. Later werd aan de partner een verminderingsbeschikking opgelegd vanwege verliesverrekening, waarna aan belanghebbende een navorderingsaanslag werd opgelegd om een deel van de eerder uitbetaalde heffingskortingen terug te vorderen.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de navorderingsaanslag, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank stelde vast dat het beroep zich niet richtte op deze niet-ontvankelijkverklaring, maar op de inhoudelijke beslissing om de navorderingsaanslag niet te verminderen. Partijen stemden in met directe behandeling van het beroep.
De rechtbank oordeelde dat de navorderingstermijn van vijf jaar niet was overschreden omdat de navorderingsaanslag was opgelegd binnen acht weken na het onherroepelijk worden van de verminderingsbeschikking van de partner, conform artikel 16, zevende lid, AWR. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de informatie op de website van de Belastingdienst niet specifiek op de situatie van belanghebbende van toepassing was en geen onjuist vertrouwen kon wekken.
Verder faalde het betoog dat belanghebbende de hoogte van de aanslag niet kon beoordelen wegens het ontbreken van inkomensgegevens, aangezien de bewijslast hiervoor bij hem lag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.