Art. 8:81 AwbArt. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4 bijlage II Bor
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning tijdelijk zorggebouw
Verzoekers maakten bezwaar tegen de omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal voor het plaatsen van een tijdelijk zorggebouw op een perceel met de bestemming 'Maatschappelijk' en de bouwaanduiding 'gebouwen uitgesloten'. Zij vreesden dat het gebouw niet tijdelijk zou zijn en dat het plan in strijd was met het bestemmingsplan en de goede ruimtelijke ordening.
De voorzieningenrechter constateerde dat het bouwplan strijdig is met het bestemmingsplan, maar dat het college bevoegd was om op grond van artikel 2.12 Wabo en artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II bij het Bor af te wijken. De tijdelijkheid werd verzekerd door een vergunningstermijn van vijf jaar en de verplichting tot herstel van de oorspronkelijke situatie.
Verzoekers konden niet overtuigend aantonen dat het tijdelijke zorggebouw het woon- en leefklimaat zodanig aantast dat sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Ook het alternatievenonderzoek van verzoekers was onvoldoende onderbouwd. Het spoedeisend belang werd beperkt geacht omdat het college voornemens was binnen korte termijn op het bezwaar te beslissen.
Gelet op deze omstandigheden en het voorlopige karakter van de beoordeling, wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. De vergunningverlening werd voorlopig als rechtmatig beschouwd en de bouwwerkzaamheden konden doorgaan.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het tijdelijk zorggebouw wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/3501 WABOA VV
uitspraak van 23 december 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[namen verzoekers sub 1],
[namen verzoekers sub 2],
te [woonplaats verzoekers] ,
verzoekers,
gemachtigde: mr. E.C.J. Wouters,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, verweerder.
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[naam vergunninghouder], te [vestigingsplaats vergunninghouder] ,
gemachtigde: mr. J. van Boekel.
Procesverloop
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 augustus 2021 (bestreden besluit) van verweerder, waarbij aan [naam vergunninghouder] een (tijdelijke) omgevingsvergunning is verleend voor het realiseren van een nieuw tijdelijk zorggebouw aan [adres zorggebouw] te [plaats zorggebouw] . Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 13 december 2021. Verzoekers zijn in persoon verschenen. De gemachtigde van verzoekers heeft zich afgemeld. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door I. Kraus. [naam vergunninghouder] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, alsmede [naam bestuurder] (bestuurder) en [naam manager] (manager Servicebedrijf & Vastgoed).
Overwegingen
1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
[naam vergunninghouder] heeft op 2 juli 2021 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een nieuw te plaatsen tijdelijk zorggebouw aan [adres zorggebouw] te [plaats zorggebouw] (locatie [naam locatie]), op het perceel kadastraal bekend [kadasternummer] , tegenover huisnummer [huisnummer] .
Bij het bestreden besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘gebruiken van gronden en/of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’. De vergunning is verleend voor een periode van vijf jaar.
Bezwaar- en verzoeksgronden
2. Verzoekers wonen aan [adres verzoekers] te [woonplaats verzoekers] . De percelen van verzoekers grenzen aan de achterzijde aan het perceel waar het tijdelijk zorggebouw is voorzien.
Verzoekers hebben, samengevat, aangevoerd dat de omgevingsvergunning niet kan worden gebaseerd op de wettelijke grondslag artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), omdat dit artikel alleen kan worden toegepast bij afwijking van de gebruiksregels van het bestemmingsplan. Verzoekers wijzen daarbij erop dat het realiseren van het tijdelijke zorggebouw niet in strijd is met de gebruiksregels van het bestemmingsplan, maar met de bouwregels. Verder wijzen zij op artikel 5, zesde lid, van bijlage II bij het Bor, waarin is bepaald dat artikel 4 nietPro kan worden toegepast in geval de activiteit is aanwezen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (het Besluit m.e.r.). Volgens verzoekers is het realiseren van een zorggebouw aangewezen in onderdeel D 11.2. Overigens stellen verzoekers zich op het standpunt dat niet vast staat dat het planologisch strijdig gebruik na vijf jaar wordt beëindigd. Daarnaast stellen zij dat een alternatievenonderzoek ontbreekt. Verzoekers wijzen daarbij op de ruimte die nog beschikbaar is tussen de overige gebouwen van [naam vergunninghouder] , en menen dat met dit alternatief een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt, terwijl deze tot aanmerkelijk minder bezwaren zal leiden. Tot slot voeren verzoekers aan dat het college geen omgevingsvergunning had mogen verlenen omdat er sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.
Verzoekers hebben aangevoerd dat het zorggebouw bestaat uit prefab units en dat het gebouw dus in zeer korte termijn gerealiseerd kan worden en in gebruik kan worden genomen. Zij vrezen ervoor dat, zodra het bouwplan is gerealiseerd, zij voor een voldongen feit staan. Zij hebben de voorzieningenrechter daarom verzocht het bestreden besluit te schorsen.
Spoedeisend belang
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
4. Het spoedeisend belang van verzoekers is ter zitting besproken. [naam vergunninghouder] heeft toegelicht dat zij begin februari met de werkzaamheden wil starten, maar dat zij wel belang heeft bij een uitspraak van de voorzieningenrechter in verband met de voorbereiding van die werkzaamheden. Het college heeft toegelicht dat de hoorzitting is gepland op 10 januari 2022 en dat het voornemens is om uiterlijk twee weken daarna op het bezwaarschrift te beslissen. Verzoekers hebben toegelicht dat hun belang bij een uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening is gelegen in het willen voorkomen dat er bouwwerkzaamheden plaatsvinden.
Gelet op het voorgaande stelt de voorzieningenrechter vast dat het spoedeisend belang van verzoekers niet erg groot is. Als het het college lukt om het bezwaarschrift op 10 januari 2022 op een hoorzitting te laten behandelen en als het hem tevens lukt om uiterlijk twee weken daarna een besluit te nemen op het bezwaarschrift, dan heeft [naam vergunninghouder] uitsluitsel over de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning voordat zij met haar bouwwerkzaamheden wil beginnen.
De voorzieningenrechter ziet in het belang van [naam vergunninghouder] om de bouwwerkzaamheden te kunnen voorbereiden echter voldoende reden om een spoedeisend belang aan te nemen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat er een kans is dat het college niet voor 1 februari 2022 op het bezwaarschrift van verzoekers zal beslissen.
Tijdelijkheid
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat een belangrijk bezwaar van verzoekers tegen het in geding zijnde bouwplan is, dat zij twijfelen aan de gestelde tijdelijkheid van het zorggebouw.
Uit het dossier blijkt, en zo is ter zitting ook toegelicht, dat het in geding zijnde zorggebouw dient ter tijdelijke vervanging van een bestaand woongebouw op [naam locatie] . [naam vergunninghouder] heeft ter zitting toegelicht dat het bestaande gebouw aan vervanging toe is. Het in geding zijnde zorggebouw is bedoeld om tijdens het bouwen van het vervangende gebouw de bewoners tijdelijk te kunnen huisvesten. [naam vergunninghouder] heeft daarbij tevens toegelicht dat is gekozen voor prefab-onderdelen, die na gebruik eenvoudig weer kunnen worden verwijderd.
Het college heeft ter zitting toegelicht dat het uitdrukkelijk de bedoeling is om het tijdelijke zorggebouw slechts toe te staan voor de tijd dat dat per se nodig is. Om die reden is een maximumtermijn van vijf jaar in de vergunning is opgenomen. Het college heeft toegelicht dat het, om de tijdelijkheid te garanderen, in het bestreden besluit heeft opgenomen dat de bestaande of wettelijk voorgeschreven toestand na vijf jaar moet worden hersteld, dan wel uiterlijk zes weken na gereedmelding van de nieuwbouw. Het college heeft daarbij aangegeven dat ze zullen toezien op het naleven van die voorwaarde.
De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande geen reden om te twijfelen aan de tijdelijkheid van het zorggebouw.
Bestemmingsplan
6. Het perceel aan [adres zorggebouw] te [plaats zorggebouw] , waarop de aanvraag betrekking heeft, is gelegen in het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’. Op het perceel rust de bestemming ‘Maatschappelijk’. Voor het perceel geldt de specifieke bouwaanduiding ‘gebouwen uitgesloten’.
Ingevolge artikel 9.1 van de planregels zijn de voor ‘Maatschappelijk’ – voor zover van belang – aangewezen gronden bestemd voor:
speel-, spel- en daarmee vergelijkbare sportvoorzieningen, niet zijnde sportvoorzieningen in clubverband met uitzondering van de gronden die de aanduiding ‘sport’;
[…];
bijbehorende voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van algemeen nut zoals verkeers-, groen-, water-, nuts- en daarmee vergelijkbare voorzieningen, waaronder voet- en fietspaden, ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen, straatmeubilair, abri's, transformatorhuisjes, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling, bergbezinkbassins en retentievoorzieningen.
In artikel 9.2.1 van de planregels is bepaald dat op deze gronden uitsluitend mogen worden gebouwd c.q. gerealiseerd:
hoofd- en bijbehorende bouwwerken;
bouwwerken ten behoeve van speel-, spel- en daarmee vergelijkbare sportvoorzieningen, niet zijnde sportvoorzieningen in clubverband;
bouwwerken ten behoeve van algemeen nut;
andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
parkeerplaatsen.
Ingevolge artikel 9.2.2 van de planregels gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:
gebouwen zijn uitsluitend ter plaatse van het als zodanig aangegeven bouwvlak toegestaan;
buiten het als zodanig aangegeven bouwvlak zijn geen gebouwen toegestaan;
de onderlinge afstand van niet-aaneengebouwde gebouwen op hetzelfde bouwperceel dient ten minste 1 m te bedragen;
e goot- en/ of bouwhoogte van gebouwen mag ten hoogste bedragen:
goothoogte zie aangegeven goothoogte;
bouwhoogte zie aangegeven bouwhoogte en anders 4 m hoger dan de toegestane goothoogte.
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat op het in geding zijnde perceel geen bouwvlak is aangegeven.
8. Partijen zijn het erover eens dat het in geding zijnde bouwplan in strijd is met de bouwregels van het bestemmingsplan, aangezien het in geding zijnde zorggebouw niet binnen een als zodanig aangegeven bouwvlak zal worden gebouwd en op het perceel de specifieke bouwaanduiding ‘gebouwen uitgesloten’ van toepassing is.
9. Om medewerking te kunnen geven aan het bouwplan van [naam vergunninghouder] heeft het college gebruik gemaakt van zijn afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 2.12, eerste lid en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Op grond van dat artikel kan het college meewerken aan activiteiten die in strijd zijn met het bestemmingsplan, als deze niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, onder meer, met (1°) toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking, of (2°) in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (artikel 4 vanPro bijlage II bij het Bor).
Het college heeft in het bestreden besluit gebruik gemaakt van de bevoegdheid onder 2° (artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II bij het Bor). Ter zitting heeft het toegelicht echter ook een bevoegdheid te zien in de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden.
10. De voorzieningenrechter stelt vast dat artikel 9.3.1 van de planregels het college binnenplans de bevoegdheid geeft om – onder voorwaarden – met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 9.2.2 voor het oprichten van gebouwen buiten een als zodanig aangegeven bouwvlak.
Het is evenwel de vraag of het college in dit geval op grond van deze bepaling bevoegd zou zijn om mee te werken aan het tijdelijk realiseren van een zorggebouw op het in geding zijnde perceel, aangezien hier geen sprake is van het ‘oprichten van gebouwen buiten het als zodanig aangegeven bouwvlak’, maar van bouwen op een perceel waarop helemaal geen bouwvlak is ingetekend en waarvoor de specifieke bouwaanduiding ‘gebouwen uitgesloten’ geldt.
11.1.
De voorzieningenrechter dient te beoordelen of het college in dit geval bevoegd is om toepassing te geven aan artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II bij het Bor.
11.2.
Verzoekers stellen zich op standpunt dat dat niet het geval is. Volgens verzoekers geeft onderdeel 11 van artikel 4 vanPro bijlage II bij het Bor het college alleen de bevoegdheid om mee te werken aan het afwijken van de gebruiksregels van een bestemmingsplan (gebruik in enge zin).
De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet hun standpunt.
Onderdeel 11 van artikel 4 vanPro bijlage II bij het Bor is bedoeld om tijdelijke planologische afwijkingen mogelijk te maken, voor al het andere gebruik dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10. De term ‘gebruik’ in onderdeel 11 verwijst niet naar de gebruiksregels van het bestemmingsplan, maar naar ‘gebruik van gronden en/of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo (gebruik in ruime zin). De voorzieningenrechter leidt dit af uit – bijvoorbeeld – de Nota van Toelichting bij de wijziging van het Bor van 4 september 2014 (Stb. 2014, 333, p. 55/56) en de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Crisis- en herstelwet en diverse andere wetten (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 135, nr. 3, p. 35).
Dat betekent dat het bouwen van een tijdelijk zorggebouw op het in geding zijnde perceel in beginsel voor vergunningverlening op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, in combinatie met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo in aanmerking komt.
11.3.
Verzoekers hebben daarnaast een beroep gedaan op artikel 5, zesde lid, van bijlage II bij het Bor. Zij stellen zich op het standpunt dat dit artikel aan vergunningverlening in de weg staan. Zij stellen in dat verband dat er sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van onderdeel D11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.
Ook in dat standpunt worden verzoekers niet gevolgd.
De vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. hangt volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – bijvoorbeeld de uitspraken van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694) en 18 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2747) – af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.
Het zorggebouw zal bestaan uit 18 slaapkamers, twee gemeenschappelijke ruimten, twee doucheruimten en aanverwante functies, met een omvang van ongeveer 550 m². Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van het Besluit m.e.r. geen sprake. Gelet op de omvang en tijdelijkheid van de activiteit, gaat het hier om een ontwikkeling van bescheiden omvang, die niet in verhouding staat tot de voorbeelden die zijn genoemd in de bijlage bij het Besluit m.e.r. onder categorie D11.2 zijn genoemd (100 hectare of meer, 2000 of meer woningen, 200.000 m² bedrijfsvloeroppervlak of meer). Ook de ruimtelijke uitstraling van de wijziging kan als relatief beperkt worden beschouwd, gezien het feit dat het gaat om tijdelijke huisvesting van personen die momenteel elders op [naam locatie] aan [adres zorggebouw] zijn gehuisvest.
Alternatievenonderzoek
12. [naam vergunninghouder] heeft ter zitting toegelicht dat zij de verschillende mogelijkheden voor tijdelijke huisvesting van haar bewoners heeft onderzocht, en dat het in geding zijnde perceel voor haar de enige mogelijkheid is. Zij heeft toegelicht dat het om een groep bewoners gaat, die je niet zomaar uit hun vertrouwde woonomgeving kunt halen. Bouwen op het binnenterrein, tussen de overige gebouwen van [naam vergunninghouder] , is volgens [naam vergunninghouder] niet wenselijk omdat het voor de bewoners niet wenselijk is om te wonen met zo veel bebouwing eromheen en er bovendien langdurig bouwwerkzaamheden op het terrein gaan plaatsvinden. [naam vergunninghouder] heeft daarbij ook aangegeven dat het binnenterrein wordt gebruikt voor dagbesteding, en dat het ook niet wenselijk is om die dagbesteding te verplaatsen.
[naam vergunninghouder] heeft daarmee voldoende duidelijk gemaakt dat het door verzoekers aangedragen alternatief niet wenselijk is, omdat dit niet leidt tot een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren.
De voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat het door [naam vergunninghouder] verrichte alternatievenonderzoek geen onderdeel uitmaakt van het dossier. Wellicht dat dit in de bezwaarfase alsnog aan het dossier kan worden toegevoegd. De voorzieningenrechter ziet in het ontbreken van een rapport van het alternatievenonderzoek echter, gelet op de ter zitting gegeven toelichting, geen reden voor schorsing van het bestreden besluit of het treffen van een voorlopige voorziening.
Slotoverwegingen.
13. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter er niet van overtuigd dat het tijdelijke zorggebouw zal leiden tot een zodanige aantasting van hun woon- en leefklimaat dat er moet worden gesproken van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Wellicht zullen verzoekers enige geluidsoverlast ondervinden vanwege het gebruik van het zorggebouw, maar dat is geluid dat past bij normaal gebruik van een wooncomplex in een woonomgeving.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik. Naar verwachting kan het bestreden besluit in bezwaar rechtens standhouden.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 23 december 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
BIJLAGE
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, eerste lid (voor zover relevant):
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
het bouwen van een bouwwerk,
[…],
het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan,
[…].
Artikel 2.10 (voor zover relevant):
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
[…];
indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan;
[…].
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a (voor zover relevant):
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:
met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,
in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, komen in aanmerking:
1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
de oppervlakte niet meer dan 150 m2;
2. een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
niet hoger dan 5 m, en
de oppervlakte niet meer dan 50 m²;
3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
niet hoger dan 10 m, en
de oppervlakte niet meer dan 50 m²;
4. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;
5. een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m;
6. een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;
7. een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;
8. het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;
9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;
10. het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;
de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden,
de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en
e bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was;
11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
1. Bij de toepassing van de artikelen 2, 3 en 4 blijft het aantal woningen gelijk. Deze eis is niet van toepassing op de gevallen, bedoeld in:
de artikelen 2, onderdelen 3 en 22, en 3, onderdeel 1, voor zover het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,
artikel 4, onderdeel 1, voor zover het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,
artikel 4, onderdelen 9 en 11.
2. De artikelen 2 en 3 zijn niet van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in, aan, op of bij een bouwwerk dat in strijd met artikel 2.1 van de wet is gebouwd of wordt gebruikt.
3. Artikel 2, onderdelen 3 en 22, is evenmin van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in:
een in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een inrichting voor activiteiten met ontplofbare stoffen;
een gebied waarin die activiteit op grond van het bestemmingsplan of de beheersverordening niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een inrichting, transportroute of buisleiding dan wel vanwege de ligging in een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van een buisleiding;
een gebied dat is gelegen binnen een van toepassing zijnde afstand als bedoeld in artikel 3.12, 3.18, 3.28, 3.30a, 4.3, 4.4, 4.5, 4.5a, 4.5b, 4.77 of 4.81 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
4. Artikel 3, onderdelen 1 en 2, is evenmin van toepassing voor zover voor het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft krachtens het bestemmingsplan regels gelden die met toepassing van artikel 40 vanPro de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor inwerkingtreding van de Erfgoedwet, in het belang van de archeologische monumentenzorg zijn gesteld, tenzij de oppervlakte van het bouwwerk minder dan 50 m2 bedraagt.
5. Artikel 3, onderdeel 8, is evenmin van toepassing op een activiteit die tevens een activiteit is als bedoeld in artikel 2, onderdelen 2 tot en met 21, of 3, onderdelen 1 tot en met 7, maar niet voldoet aan de in die artikelen ten aanzien van die activiteit gestelde eisen.
6. Artikel 4, onderdelen 9 en 11, is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.