Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
te ondertekenen
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017, waarbij de letselschade-uitkering in de rendementsgrondslag van box 3 werd betrokken. Hij stelde dat deze uitkering als bijzonder vermogen vrijgesteld moest worden en dat de vermogensrendementsheffing in strijd was met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM vanwege een individuele buitensporige last.
De rechtbank overwoog dat de Wet IB 2001 geen vrijstelling kent voor letselschade-uitkeringen in box 3 en dat de herkomst van het vermogen niet relevant is voor de rendementsgrondslag. Ook verwees de rechtbank naar het onderscheid met de hardheidsclausule in de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, die hier niet van toepassing is.
Ten aanzien van het beroep op artikel 1 EP Pro stelde de rechtbank dat de vraag of de vermogensrendementsheffing op stelselniveau in strijd is met het EVRM onderdeel is van een massaal bezwaarprocedure, waarover de rechtbank niet beslist. De individuele toets op buitensporige last wees uit dat belanghebbende voldoende inkomen had om de belasting te voldoen en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een buitensporige last veroorzaakten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Partijen kunnen hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2017 wordt ongegrond verklaard.