Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
De verbalisanten [Naam 7] en [Naam 1] verklaren dat verdachte op enig moment het mes op hen gericht had. Uit verklaringen van de verbalisanten [Naam 7] en [Naam 3] blijkt dat verdachte zich vervolgens heeft gericht tot verbalisant [Naam 3] en op korte afstand, namelijk ongeveer een meter, stekende bewegingen richting hem heeft gemaakt. Op dat moment heeft verbalisant [Naam 7] de situatie dermate dreigend ervaren dat hij verdachte heeft neergeschoten. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen en bewoordingen van verdachte van dien aard zijn geweest dat er een redelijke vrees bij aangevers heeft kunnen ontstaan dat zij het leven zouden laten danwel zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De benadeelde partijen
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het onder 1 primair tenlastegelegde feit;
een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
bijzondere voorwaarden: