ECLI:NL:RBZWB:2021:6717

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 december 2021
Publicatiedatum
30 december 2021
Zaaknummer
AWB- 21_4154
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot proceskostenvergoeding na gedeeltelijke tegemoetkoming in beroep ziektewetuitkering

Verzoekster maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV tot terugvordering van een gedeeltelijk ten onrechte betaalde ziektewetuitkering over de periode van 15 oktober 2020 tot en met 11 april 2021. Na het ongegrond verklaren van het bezwaar stelde verzoekster beroep in. Vervolgens wijzigde het UWV het besluit en beperkte de terugvordering tot de periode vanaf 5 januari 2021. Naar aanleiding hiervan trok verzoekster het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Gezien de gedeeltelijke tegemoetkoming van het UWV in het beroep achtte de rechtbank het verzoek tot proceskostenvergoeding kennelijk gegrond.

De rechtbank veroordeelde het UWV tot vergoeding van € 748,- aan proceskosten voor de beroepsfase, exclusief het griffierecht dat verzoekster rechtstreeks bij het UWV moet claimen. De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.M.L. van de Sande op 29 december 2021.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van € 748,- aan proceskosten voor de beroepsfase.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/4154

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2021 in de zaak tussen

[naam verzoekster ] , te [plaatsnaam] , verzoekster

(gemachtigde: mr. B.E. Crone),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 5 mei 2021 (primair besluit) heeft verweerder besloten om de gedeeltelijk ten onrechte betaalde ziektewetuitkering terug te vorderen over de periode van 15 oktober 2020 tot en met 11 april 2021.
In het besluit van 20 augustus 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 25 oktober 2021 heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd en in plaats daarvan besloten het recht op de ziektewetuitkering te herzien/verlagen met ingang van 5 januari 2021 in plaats van met ingang van 15 oktober 2020.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank verzocht om bij de afhandeling van het verzoek om vergoeding van de proceskosten het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) toe te passen.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
Bij het nieuwe besluit heeft verweerder al een proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase toegekend. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748,-, met een wegingsfactor 1).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 49,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 748,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 29 december 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.