ECLI:NL:RBZWB:2021:6723

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 december 2021
Publicatiedatum
30 december 2021
Zaaknummer
AWB- 21_3913
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 AwbArt. 8:55d AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar WMO huishoudelijke ondersteuning

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 april 2021 tot beëindiging van huishoudelijke ondersteuning op grond van de WMO. Zij stelde de gemeente Breda op 21 augustus 2021 in gebreke vanwege het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar van 22 mei 2021.

De rechtbank oordeelt dat de gemeente uiterlijk op 19 augustus 2021 had moeten beslissen, maar dit niet heeft gedaan. Omdat de ingebrekestelling tijdig is gedaan en de gemeente daarna nog steeds niet heeft beslist, is het beroep gegrond.

De rechtbank draagt de gemeente op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog te beslissen en legt een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000. De reeds verbeurde dwangsommen worden vastgesteld op €1.442. Tevens wordt het betaalde griffierecht van €49 aan eiseres vergoed.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de gemeente Breda op binnen twee weken alsnog te beslissen, met oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/3913

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 december 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 22 mei 2021 gericht tegen het primaire besluit van 15 april 2021 over de beëindiging van de huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (WMO).
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 17 december 2021.
Hierbij waren aanwezig eiseres en [naam vertegenwoordiger verweerder] namens verweerder.

Overwegingen

Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 22 mei 2021. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is. Omdat er een adviescommissie is, geldt in dit geval een termijn van twaalf weken. Dat staat in artikel 7:10 en Pro 7:13 van de Awb. Verweerder had dus uiterlijk op 19 augustus 2021 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is daarom voorbij. Eiseres heeft verweerder op 21 augustus 2021 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Het beroep is gegrond.
Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.
De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. Dat staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.
De rechtbank constateert dat uit de stukken blijkt dat de ingebrekestelling op 21 augustus 2021 is ontvangen en dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder het maximale bedrag van € 1.442,- aan dwangsommen heeft verbeurd.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 31 december 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.