Eiser is na een motorongeval arbeidsongeschikt geraakt en ontving sinds 2016 een WIA-uitkering. Na bezwaar en beroep is de mate van arbeidsongeschiktheid door de Centrale Raad van Beroep verhoogd naar 73,84%. Vervolgens wijzigde het UWV de vervolguitkering en stelde de arbeidsongeschiktheid per 1 mei 2020 vast op 63,31%, wat eiser betwistte.
De rechtbank beoordeelde het medisch onderzoek van het UWV, waarbij een verzekeringsarts de beperkingen van eiser vaststelde op basis van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van april 2020. Eiser voerde aan dat zijn cognitieve beperkingen en autorijbeperkingen onvoldoende waren meegenomen, ondersteund door rapportages van psychologen en medisch specialisten. De verzekeringsarts stelde echter dat er geen objectief medisch bewijs was voor deze beperkingen en dat de FML een juiste weergave van de belastbaarheid gaf.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de subjectieve klachten van eiser niet doorslaggevend zijn zonder objectief bewijs. Ook de door het UWV gekozen functies voor de berekening van de arbeidsongeschiktheid waren passend, mede bevestigd door eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep over het opleidingsniveau van eiser.
Omdat eiser geen gegronde bezwaren tegen de berekening van de arbeidsongeschiktheid had ingebracht, verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde de vaststelling van een arbeidsongeschiktheid van 63,31%. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.