In deze zaak staat de verdeling van kosten voor het halen en brengen van de minderjarige centraal, waarbij beide ouders onvoldoende financiële middelen hebben. De man is arbeidsongeschikt en heeft een budgetbeheerder, terwijl de vrouw een lager inkomen heeft en eveneens beperkte middelen. De rechtbank stelt vast dat de vrouw in principe verantwoordelijk is voor het halen en brengen, omdat zij met de minderjarige is verhuisd.
Echter, vanwege de financiële situatie van beide partijen en de fysieke beperkingen van de man om te rijden, kan geen van beiden de volledige kosten dragen. De rechtbank besluit daarom dat de kosten gelijk verdeeld worden, waarbij de vrouw de minderjarige bij de man brengt en de man haar weer terugbrengt. De man moet de vrouw compenseren voor zijn deel van de reiskosten.
Verder wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw tot een maandelijkse bijdrage van de man af, omdat hij momenteel onvoldoende draagkracht heeft. De rechtbank benadrukt dat de man wordt geacht zich in te spannen om zo snel mogelijk passend werk te vinden om zijn financiële situatie te verbeteren. De rechtbank adviseert de vrouw om bij de gemeente financiële ondersteuning aan te vragen voor de zorgregeling.