Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
389556 HO RK 21/667, 389557 HO RK 21/668 en
389558 HO RK 21/669
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een zaak waarin vijf verzoeksters een besloten akkoordprocedure buiten faillissement waren gestart en een afkoelingsperiode was afgekondigd en meerdere malen verlengd. De afkoelingsperiode werd ingesteld om de verzoeksters de mogelijkheid te bieden een akkoord met schuldeisers te bereiken zonder dat schuldeisers hun vorderingen konden executeren.
Na het intrekken van het verzoek tot homologatie van de aangeboden akkoorden en het ontbreken van aanwijzingen dat nog aan de voorwaarden van artikel 376 lid 1 en Pro 4 Faillissementswet werd voldaan, heeft de rechtbank ambtshalve besloten de afkoelingsperiode op te heffen. De rechtbank heeft de betrokken partijen in de gelegenheid gesteld hun zienswijze te geven, waarvan enkele partijen instemden met de opheffing.
De beslissing is genomen door een meervoudige kamer van de rechtbank, waarbij de voorzitter en drie rechters het vonnis hebben gewezen. De afkoelingsperiode werd formeel opgeheven per 1 november 2021, waarmee de beschermende status van de verzoeksters tegen executie van schuldeisers kwam te vervallen.
Uitkomst: De rechtbank heft ambtshalve de afkoelingsperiode op wegens niet langer voldoen aan de voorwaarden van artikel 376 lid 1 en 4 Faillissementswet.