Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.de vennootschap onder firmaFLOWER EXPRESS ZEELAND,
[gedaagde sub 2],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser vordert betaling van openstaande termijnen en rente op grond van een mondelinge overeenkomst waarbij gedaagde vijf klanten en een bedrijfsauto van eiser zou overnemen voor €18.000 exclusief btw, te betalen in maandelijkse termijnen vanaf januari 2020. Gedaagde betwist het bestaan van deze overeenkomst en stelt slechts hulp te hebben geboden vanwege ziekte van eiser, waarbij de auto op naam van Flower Express is gezet zonder dat er sprake is van een daadwerkelijke overname.
De kantonrechter overweegt dat Flower Express geen partij was bij de overeenkomst, omdat deze pas na het laatste contact tussen partijen is opgericht en inmiddels is opgeheven. De bewijslast voor het bestaan van de mondelinge overeenkomst rust op eiser, die onvoldoende bewijs heeft geleverd om het bestaan ervan vast te stellen.
Daarom krijgt eiser de opdracht om bewijs te leveren van het bestaan van de overeenkomst, hetzij schriftelijk, hetzij door getuigen. De zaak wordt aangehouden en op een latere datum voortgezet om de bewijslevering mogelijk te maken. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden.
Uitkomst: Eiser krijgt bewijsopdracht om het bestaan van de mondelinge overeenkomst te bewijzen; verdere beslissing wordt aangehouden.