ECLI:NL:RBZWB:2021:755

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 februari 2021
Publicatiedatum
24 februari 2021
Zaaknummer
AWB- 21_362 VV
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 lid 3 AwbArt. 8:84 lid 5 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling UWV in proceskosten na gedeeltelijke tegemoetkoming in bezwaar uitkeringsweigering

Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV van 23 december 2020 waarin een WW-uitkering werd geweigerd. Na het bezwaar verklaarde het UWV het bezwaar gegrond en besloot tot het toekennen van voorschotten. Hierop trok verzoekster haar verzoek om een voorlopige voorziening in en verzocht het UWV te veroordelen in de proceskosten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het UWV door de gedeeltelijke tegemoetkoming in het bezwaar aanleiding gaf om veroordeeld te worden in de proceskosten van verzoekster. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht van verzoekster.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting, conform artikel 8:83 lid 3 Awb Pro, en er is geen rechtsmiddel tegen mogelijk. De proceskosten werden vastgesteld op € 534,- en het griffierecht op € 49,-.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld in de proceskosten van verzoekster en tot vergoeding van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/362 WW VV

uitspraak van 23 februari 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster,

gemachtigde: mr. M.C.A.M. van der Meer
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 december 2020 (bestreden besluit) van het UWV inzake de weigering een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toe te kennen. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Met de beslissing op bezwaar van 29 januari 2021 heeft het UWV het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard. Het UWV heeft besloten om voorschotten toe te kennen.
Vervolgens heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV heeft in de brief van 16 februari 2021 aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit het besluit van 29 januari 2021 dat het UWV in ieder geval gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het UWV te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 534,‑ en wegingsfactor 1).
3. Nu het UWV aan verzoekster is tegemoetgekomen, ziet de voorzieningenrechter hierin aanleiding om het UWV tevens te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 534,--;
  • draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 49,-- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2021.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.