ECLI:NL:RBZWB:2021:970
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening bijzondere bijstand
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen tot afwijzing van haar verzoek om bijzondere bijstand. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb de zaak zonder zitting behandeld.
Uit de door verzoekster verstrekte financiële gegevens blijkt dat zij maandelijks € 1.386,- aan inkomsten heeft en € 901,- aan vaste lasten. Dit laat een bedrag van € 485,- over om van te leven. Zelfs rekening houdend met niet nader onderbouwde dieet- en andere kosten van € 170,- resteert een bedrag van € 315,- per maand. Dit wordt onvoldoende geacht om te spreken van een financiële noodsituatie.
De voorzieningenrechter overweegt dat ook indien verzoekster's stelling dat zij na aankoop van maaltijden slechts € 16,- per maand overhoudt voor kleding en overige huishoudelijke uitgaven wordt gevolgd, dit niet leidt tot een spoedeisend belang. De voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld voor situaties waarin onverwijlde spoed een voorlopige maatregel vereist, wat hier niet is aangetoond.
Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.