Eiseres diende een Wob-verzoek in bij de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met het verzoek om informatie over disulfiram en aanverwante onderwerpen. De minister stelde de beslistermijn meerdere malen uit en nam uiteindelijk op 24 december 2020 een besluit. Eiseres stelde vervolgens beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank stelde vast dat het beroep rechtsgeldig was ingediend en dat de beslistermijn was verstreken. Omdat eiseres niet reageerde op de brief van de rechtbank waarin werd gevraagd of zij het eens was met het besluit van 24 december 2020, ging de rechtbank ervan uit dat zij het niet eens was met dat besluit. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen werd mede geacht gericht te zijn tegen het alsnog genomen besluit.
De rechtbank oordeelde dat eiseres geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig beslissen en verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het besluit van 24 december 2020 werd verwezen naar de minister ter behandeling als bezwaar. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres.