Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 5 maart 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam maatschap], te [plaatsnaam] , verzoekster sub 1;
[verzoekers] ,te [plaatsnaam] , verzoekers sub 2,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoekers maakten bezwaar tegen de omgevingsvergunning verleend aan derde partij voor het bouwen van drie woonunits voor de huisvesting van 24 arbeidsmigranten op een perceel met agrarische bestemming. Zij vreesden nadelige gevolgen voor hun woon- en leefmilieu, onvoldoende toezicht op naleving van vergunningvoorwaarden, en onevenredige belasting van het wegennet.
De voorzieningenrechter overwoog dat de vergunning is verleend met toepassing van artikel 4, lid 11, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, voor een maximale duur van tien jaar. De gevraagde documenten zoals huisregels, exploitatievergunning en planschadeovereenkomst waren tijdig overgelegd. De rechter achtte de controle op naleving van voorschriften voldoende en vond geen aanwijzingen dat de woonunits niet geschikt zijn om aan coronaregels te voldoen.
De vrees voor verkeersbelasting werd niet gedeeld omdat de arbeidsmigranten op de agrarische locatie werkzaam zijn en voldoende parkeergelegenheid is voorzien. Alternatieve locaties boden geen duidelijk voordeel met minder bezwaren. Hoewel de huisvesting een inbreuk kan vormen op het woon- en leefmilieu van verzoekers, kon verweerder redelijkerwijs belang hechten aan de huisvesting voor tien jaar.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor huisvesting arbeidsmigranten wordt afgewezen.