Belanghebbende betaalde BPM over een Volvo XC60 en kreeg een naheffingsaanslag opgelegd door de inspecteur. De kern van het geschil betrof de hoogte van de aanslag, mede vanwege discussie over de waardevermindering door schade en de onafhankelijkheid van de hertaxateur.
De rechtbank oordeelde dat de hertaxateur deskundig en onafhankelijk was en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van meer dan normale gebruiksschade. Wel werd vastgesteld dat de naheffingsaanslag onjuist was vastgesteld omdat geen rekening was gehouden met het historisch tarief van 2016 zoals toegestaan onder artikel 16a van de Wet BPM.
Daarom werd de aanslag verminderd naar € 1.104. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 1.620 en het griffierecht van € 354, omdat de rechtbank oordeelde dat het beroep niet uitsluitend aan belanghebbende te wijten was en de inspecteur verwijtbaar had gehandeld door de jurisprudentie van de Hoge Raad niet toe te passen.
De uitspraak is gedaan door rechter J.H. Bogert op 8 maart 2022 en is openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie.