Uitspraak
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 252,- per maand.
€ 689,- per maand.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen zijn gehuwd geweest en hebben een minderjarige zoon die bij de man verblijft. Na beëindiging van het schuldsaneringstraject van de vrouw verzoekt de man de rechtbank om vaststelling van een kinderbijdrage van €200 per maand. De vrouw betwist dit en stelt dat de man niet-ontvankelijk verklaard moet worden of dat zij slechts €56 per maand hoeft te betalen.
De rechtbank oordeelt dat de man ontvankelijk is omdat de vrouw haar schuldsanering heeft beëindigd en daardoor draagkracht heeft gekregen. De behoefte van het kind wordt vastgesteld op €444 per maand, gebaseerd op het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving en de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen. De man stelt dat de orthodontiekosten bijzondere kosten zijn die de behoefte verhogen, maar de rechtbank wijst dit af omdat deze kosten niet uitzonderlijk zijn en in de tabelbehoefte zijn inbegrepen.
De draagkracht van de vrouw wordt vastgesteld op €252 per maand en die van de man op €689 per maand. De behoefte wordt verdeeld naar rato van draagkracht, waarna de vrouw een aandeel van €119 heeft. Na toepassing van een zorgkorting van 15% wordt haar bijdrage vastgesteld op €52 per maand. De rechtbank bepaalt dat de bijdrage met ingang van 19 juli 2021 moet worden betaald. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt, omdat de procedure niet nodeloos is gestart.
Uitkomst: De vrouw moet vanaf 19 juli 2021 een kinderbijdrage van €52 per maand aan de man betalen.