De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 15 februari 2022 uitspraak gedaan in een geschil tussen ouders over het hoofdverblijf van hun minderjarige kind, dat binnenkort naar school gaat. De ouders waren het niet eens over de voortzetting van de co-ouderschapsregeling vanwege de grote afstand tussen hun woonplaatsen. De moeder verzocht het hoofdverblijf bij haar vast te stellen, de vader verzocht dit bij hem te bepalen.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde geen onderzoek te doen, omdat de situatie vooral een uitgestelde beslissing betrof en beide ouders een veilige en stabiele opvoedsituatie konden bieden. De rechtbank overwoog dat de moeder bewust haar eigen belang boven dat van het kind had gesteld door te verhuizen naar een andere regio, wat het contact met de vader bemoeilijkt.
De rechtbank stelde vast dat het in het belang van het kind is dat het hoofdverblijf bij de vader wordt vastgesteld, mede vanwege de medische behandelingen die in zijn regio plaatsvinden. Tevens verleende de rechtbank de vader vervangende toestemming om het kind in te schrijven op een school in zijn woonplaats. De zorg- en contactregeling werd aangepast: de moeder krijgt een weekendregeling om de veertien dagen en een vakantiedeling waarbij vakanties van een week bij haar worden doorgebracht. De proceskosten werden gecompenseerd.