Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende diende een pro forma aanvraag in voor de toepassing van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers. De inspecteur bevestigde de ontvangst en gaf een termijn van zes weken om ontbrekende gegevens aan te vullen. Belanghebbende voldeed hier niet aan, waarna de inspecteur de aanvraag buiten behandeling stelde.
Belanghebbende stelde dat de inspecteur onterecht handelde en beriep zich op schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel en het verbod op willekeur en misbruik van bevoegdheid. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen vanwege het niet tijdig aanvullen.
De rechtbank verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat het verschil in werkwijze met andere gemachtigden objectief gerechtvaardigd was. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen concrete toezegging was gedaan. Het proportionaliteitsbeginsel bood geen grond om de aanvraag alsnog in behandeling te nemen. De weigering van de inspecteur om werkafspraken te maken was geen willekeur of misbruik van bevoegdheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het buiten behandeling stellen van de aanvraag.