Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft verzoeken om ambtshalve vermindering ingediend voor omzetbelastingaanslagen over de kwartalen van 2016 tot en met 2019, inclusief boeten en belastingrente. De inspecteur heeft deze verzoeken deels toegewezen en deels afgewezen. Hiertegen is bezwaar gemaakt, dat door de inspecteur niet-ontvankelijk is verklaard omdat tegen beslissingen op verzoeken om ambtshalve vermindering geen bezwaar openstaat.
Belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld tegen deze beslissing. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering niet vatbaar is voor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd voor zover het beroep zich richt tegen de tweede afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering.
De rechtbank ziet geen aanleiding om inhoudelijk op de klachten van belanghebbende in te gaan en wijst de beroepen af. Tevens wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.
Uitkomst: De beroepen tegen de beslissingen op bezwaar worden ongegrond verklaard en de rechtbank is onbevoegd voor zover het beroep zich richt tegen de tweede afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering.