ECLI:NL:RBZWB:2022:1400

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2022
Publicatiedatum
21 maart 2022
Zaaknummer
AWB- 21_3938
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep WIA-uitkering

Verzoeker had beroep ingesteld tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om geen WIA-uitkering toe te kennen per 25 januari 2021. Na bezwaar wijzigde het UWV het besluit en kende alsnog de uitkering toe, waarna verzoeker het beroep introk met een verzoek tot proceskostenvergoeding.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:54 Awb Pro zonder zitting uitspraak gedaan over het verzoek om proceskostenveroordeling. Omdat het UWV geheel aan het beroep tegemoet is gekomen, heeft de rechtbank het verzoek van verzoeker als kennelijk gegrond beoordeeld.

De proceskosten voor de beroepsfase zijn vastgesteld op € 759,-, gebaseerd op de waarde van een punt voor rechtsbijstand. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat het griffierecht van € 49,- door het UWV moet worden vergoed aan verzoeker.

De rechtbank veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 759,-. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.M.L. van de Sande op 18 maart 2022.

Uitkomst: Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 759,-.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/3938

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2022 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaatsnaam] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R.F. Antes),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 18 december 2020 (primair besluit) heeft verweerder besloten dat aan verzoeker per 25 januari 2021 geen uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) wordt toegekend.
In het besluit van 13 augustus 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 17 november 2021 heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd en besloten dat aan verzoeker alsnog een WIA-uitkering per 25 januari 2021 wordt toegekend.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat zij geen bezwaar maken tegen een proceskostenveroordeling.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker.
Bij het nieuwe besluit heeft verweerder al een proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase toegekend. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 49,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 18 maart 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.