De man verzocht de rechtbank om een omgangsregeling met zijn minderjarige kind vast te stellen, waarbij hij meerdere keren de kans heeft gekregen om deel te nemen aan hulpverlening als voorwaarde voor omgang.
De rechtbank constateerde dat het hulpverleningstraject bij Sterk Huis niet tot herstel van contact heeft geleid en dat de man ondanks een laatste kans in januari 2021 geen stappen heeft gezet om hulpverlening te starten. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde dan ook om het recht op omgang te ontzeggen omdat omgang anderszins in strijd is met de belangen van het kind.
De man gaf aan recentelijk hulpverlening te zijn gestart via de huisarts, maar kon dit niet met stukken onderbouwen en het traject zou nog enige tijd duren. De vrouw had wel meegewerkt aan hulpverlening en traumaverwerking voor het kind.
De rechtbank oordeelde dat gezien de lange procedure en het niet-naleven van hulpverlening door de man, omgang op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind. Het verzoek tot vaststelling van omgang werd afgewezen, maar het recht op omgang werd niet ontzegd omdat daarvoor een verzoek van de ouders vereist is.
De proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.